Kennelijk leugenachtige verklaring

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW9968

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 4 tot en met 8 (kort gezegd, opzetheling) en behelst de klacht dat 's Hofs oordeel dat de onder 8 tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat "de gestolen spullen die in de blokhut zijn aangetroffen (...) van een vriend waren" als kennelijk leugenachtig dient te worden aangemerkt, ontoereikend is gemotiveerd. 

Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN ZD0413, AD8873 en AT2897. 

Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen, mag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het bewijs worden gebezigd. 

Zodanig oordeel zal dan wel voldoende grondslag moeten vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in een of meer andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen (vgl. HR 19 maart 1996, LJN ZD0413, NJ 1996/540, rov. 4.4). 

Tot bedoelde andere bewijsmiddelen kunnen in ieder geval niet worden gerekend bewijsmiddelen, inhoudende verklaringen van de verdachte zelf (vgl. HR 19 maart 2002, LJN AD8873, NJ 2002/567) of van andere personen die slechts behelzen hetgeen de verdachte hen heeft meegedeeld (vgl. HR 24 mei 2005, LJN AT2897, NJ 2005/396). 

De omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd omtrent het desbetreffende punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen (vgl. HR 19 maart 1996, LJN ZD0413, NJ 1996/540, rov. 4.5).

Het Hof heeft in zijn overwegingen klaarblijkelijk geoordeeld dat de onder 8 tot het bewijs van de onder 4 tot en met 8 tenlastegelegde feiten gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat "de gestolen spullen die in de blokhut zijn aangetroffen (...) van een vriend waren", kennelijke leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen. 

Voor zover het Hof dat oordeel blijkens zijn overwegingen heeft gegrond op de verklaring van de medeverdachte omtrent de herkomst van de tassen, geldt dat deze verklaring geen steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat niet zonder meer begrijpelijk is dat die verklaring voldoende grondslag biedt voor het oordeel over de kennelijk leugenachtigheid. De door het Hof genoemde omstandigheid dat de verdachte zelf omtrent die herkomst geen verklaring heeft willen geven kan in dit verband geen rol spelen. Door desalniettemin de bedoelde verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig tot het bewijs te bezigen, is de bewezenverklaring van de feiten 4 tot en met 8 niet naar behoren gemotiveerd. 

Het middel slaagt. 
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF