Integrale vrijspraak valsheid in geschrifte en (poging tot) oplichting

Rechtbank Limburg 10 september 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:5357

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 samen met (een) ander(en) valsheid in geschrifte heeft gepleegd, door brieven te vervalsen of valselijk op te maken.

Feit 2: in voornoemde periode samen met (een) ander(en) de gemeente Maastricht heeft opgelicht dan wel heeft geprobeerd om de gemeente Maastricht op te lichten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de door hem in het requisitoir weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat medeverdachte 1 géén retentierecht heeft op het schip “naam schip”. Daarom kan ook niet worden bewezen dat de brief waarin dit recht wordt geclaimd en die door verdachte is ondertekend vals is en kan ook niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en/of (poging) tot oplichting.

Mocht de rechtbank toch oordelen dat er geen retentierecht was, dan kan in ieder geval niet worden bewezen dat verdachte wist dat dit recht niet bestond. Daarom kan ook niet worden bewezen dat hij opzet had op het valselijk opmaken van de door hem ondertekende brief waarin het retentierecht werd geclaimd. Verdachte dient ook daarom te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Uit het dossier kan worden opgemaakt dat van oktober 2000 tot februari 2007 bij scheepswerf naam 1 te Maastricht een schip heeft gelegen, genaamd de naam schip. Dit schip was eigendom van naam 2 en werd door de eigenaar van de scheepswerf (de medeverdachte 1) gebruikt als huisvestiging voor Poolse en Roemeense medewerkers van de werf. In 2002 en 2004 heeft de gemeente Maastricht aan naam 2 een aantal dwangsommen opgelegd wegens (o.a.) overtreding van bepaalde regels van het bestemmingsplan. In september 2005 wilde de gemeende het schip laten veilen ter inning van de verbeurde dwangsommen. Medeverdachte 1 heeft deze veiling weten tegen te houden door te stellen dat zij een retentierecht op het schip had. medeverdachte 1 heeft dit aan de gemeente kenbaar gemaakt in een brief van 9 juni 2006 en kort daarop in nog twee andere brieven van 3 juli 2006. Uit gegevens van de kamer van koophandel blijkt dat medeverdachte 1 van 2000 tot 2004 bestuurd werd door bestuurder medeverdachte. Van 2004 tot 2007 werd de BV bestuurd door medeverdachte 2.

Bij vonnis van heden in de zaak van de medeverdachte 1 heeft de rechtbank beslist dat er van een retentierecht van medeverdachte 1 op het schip “naam schip” geen sprake is geweest. De brieven van 9 juni 2006 (1x) en 3 juli 2006 (2x) van medeverdachte 1 gericht aan de gemeente Maastricht, waarin dit retentierecht wordt gepretendeerd, zijn dus valselijk opgemaakt.

Onder alle drie de brieven staat: “verdachte i.o. medeverdachte 2”. Tevens staat onder de brieven van 3 juli 2006 een paraaf en onder de brief van 9 juni 2006 een handtekening. Verdachte heeft erkend de brief van 9 juni 2006 te hebben ondertekend, de andere twee brieven zijn hem onbekend. De paraaf onder die brieven is niet van hem.

Bij zijn verhoor op 17 december 2009 heeft verdachte verklaard dat hij op verzoek van bestuurder medeverdachte, de man achter medeverdachte 1, naar de “naam schip” is gegaan omdat er problemen zouden zijn. Daar aangekomen ontmoette hij naam 5, de secretaris van bestuurder medeverdachte, die hem een aantal stukken overhandigde betreffende een retentierecht op de “naam schip”. Daarbij was de betreffende brief. Omdat bestuurder medeverdachte en medeverdachte 2 niet beschikbaar waren om de brief te ondertekenen was het verzoek aan verdachte om dat te doen. Verdachte heeft dat toen gedaan, niet wetende wat de strekking van die brief was.

Op 11 april 2013 is getuige 1, een oud werkneemster van medeverdachte 1, gehoord. Zij vertelde dat verdachte zich op de werf van medeverdachte 1 bezig hield met kwesties als milieuvergunningen. De personen die het voor het zeggen hadden waren bestuurder medeverdachte, ene naam 3 en mw. naam 4. naam 5 was de rechterhand van bestuurder medeverdachte en de administratie werd door de getuige verzorgd.

Op 14 december 2012 is getuige 2, ook werkzaam geweest op de werf, gehoord. Deze heeft met betrekking tot de positie van verdachte binnen medeverdachte 1 een nagenoeg gelijkluidende verklaring afgelegd.

Uit deze getuigenverklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval dat de verdachte zich niet binnen de leiding van de onderneming bevond en evenmin betrokken was bij financiële kwesties. Daarom kan niet zonder meer gezegd worden dat het verhaal van verdachte, dat hij de strekking van de brief niet begreep, onjuist is. En zou hij al weten dat door middel van de brief een preferente vordering op de “naam schip” zou worden geclaimd, dan staat daarmee nog niet vast dat hij ook wist dat die claim nergens op was gebaseerd. verdachte had op dergelijke kwesties immers geen zicht, althans dat blijkt in ieder geval niet uit het dossier. Tenslotte zijn de omstandigheden waaronder hem gevraagd werd de brief te ondertekenen niet zo merkwaardig dat de verdachte zich eerst zou hebben moeten overtuigen van de juistheid van de inhoud ervan, alvorens hij mocht tekenen.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat bij verdachte de opzet heeft ontbroken om valselijk de brief van 9 juni 2006 op te maken.

De vraag of verdachte de brieven van 3 juli 2006 wel heeft ondertekend kan in het midden blijven nu, indien de vraag al bevestigend beantwoord zou kunnen worden, ook dan de opzet op het valselijk opmaken van deze brieven niet bewezen zou kunnen worden om de redenen die hiervoor besproken zijn. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

Feit 2

Nu niet bewezen kan worden dat verdachte op de hoogte was van het feit dat er geen grondslag bestond voor het claimen van een retentierecht kan evenmin bewezen worden dat hij de gemeente Maastricht heeft opgelicht, althans dat heeft gepoogd, zoals hem onder feit 2 wordt verweten. Ook van dit feit dient verdachte te worden vrijgesproken.

Beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF