HvJEU: Conclusie AG over uitlegging en geldigheid van art. 4 bis lid 1 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel, procedures van overlevering en draagwijdte van art. 53 van het Handvest EU

Conclusie van Advocaat-Generaal Y. Bot in de zaak C-399/11 (Melloni)

Inleiding

In de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt het Hof verzocht om uitlegging, en in voorkomend geval beoordeling van de geldigheid, van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot versterking van de procedurele rechten van personen en tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces.

Tevens wordt het Hof voor het eerst verzocht, de draagwijdte van artikel 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te preciseren.

Vragen

Met zijn drie vragen verzoekt het Tribunal Constitucional het Hof om beoordeling van de verschillende wijzen waarop het zijn rechtspraak ook in het kader van de toepassing van het kaderbesluit zou kunnen handhaven:

  1. Kan de algemene toepassing van de voorwaarde dat voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering een verstekvonnis is vereist dat de veroordeelde in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, voortvloeien uit een uitlegging van de tekst, de opzet en de doelstellingen van artikel 4 bis van het kaderbesluit?
  2. Zo niet, is dit artikel dan verenigbaar met de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest, die de beschuldigde respectievelijk het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak en de eerbiediging van zijn rechten van verdediging waarborgen? Moet het recht van de Unie aan deze grondrechten bovendien een ruimere bescherming bieden dan het door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), gegarandeerde niveau van bescherming?
  3. Ingeval bij de behandeling van de eerste twee vragen blijkt dat artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit, in samenhang met de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat het Tribunal Constitucional zijn rechtspraak handhaaft op het gebied van het Europees aanhoudingsbevel, biedt artikel 53 van het Handvest hem dan de mogelijkheid daartoe?

Beoordeling AG 

Vraag 1

"51. Met zijn eerste vraag wenst het Tribunal Constitucional in wezen te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, sub a en b, van het kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling bedoelde gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de degene tegen wie dit bevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen."

"66. De doelstellingen die de wetgever van de Unie bij de vaststelling van artikel 4 bis van het kaderbesluit heeft nagestreefd, bevestigen dat hij de uitvoerende rechterlijke autoriteiten niet de mogelijkheid heeft willen geven, de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen."

Vraag 2

"61. Met zijn tweede vraag wenst het Tribunal Constitucional van het Hof te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit verenigbaar is met de eisen van de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest."

"85. Mijns inziens is er dus niets dat de geldigheid van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit ten aanzien van de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest zou kunnen aantasten."

Vraag 3a

"88. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen of artikel 53 van het Handvest een uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat om op grond van zijn nationaal grondwettelijk recht de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, ofschoon artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit een dergelijke voorwaarde niet toestaat."

"99. Volgens mij mag artikel 53 van het Handvest niet worden begrepen als een clausule ter regeling van een conflict tussen enerzijds een bepaling van afgeleid recht die, uitgelegd tegen de achtergrond van het Handvest, een bepaalde maatstaf van bescherming van een grondrecht zou vaststellen, en anderzijds een bepaling van een nationale grondwet die voorziet in een hoger niveau van bescherming van datzelfde grondrecht. In een dergelijk geval heeft dit artikel tot doel noch tot gevolg dat voorrang wordt gegeven aan de bepaling die de hoogste bescherming biedt en aan een nationale grondwet is ontleend. Door het omgekeerde te aanvaarden zou worden voorbijgegaan aan de vaste rechtspraak van Hof inzake de voorrang van het recht van de Unie."

"122. Een uitlegging van artikel 53 van het Handvest die een uitvoerende rechterlijke autoriteit zou toestaan om op grond van een bepaling van zijn nationale grondwet de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een verstekvonnis algemeen afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dit aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de lidstaat van uitvaardiging in verzet kan komen, zou het door artikel 4 bis van het kaderbesluit gecreëerde evenwicht verstoren en kan dus niet worden aanvaard."

Vraag 3b

"124. Met zijn derde vraag verzoekt het Tribunal Constitucional niet alleen om uitlegging van artikel 53 van het Handvest, maar wil het in feite ook vernemen, welke speelruimte de lidstaten hebben voor het bepalen van het niveau van bescherming van de grondrechten dat zij in het kader van de toepassing van het recht van de Unie willen waarborgen. In dit verband dient een onderscheid te worden gemaakt tussen situaties waarin op het niveau van de Unie is bepaald welke mate van bescherming van een grondrecht in het kader van de toepassing van een optreden van de Unie moet worden gewaarborgd, en situaties waarin er geen gemeenschappelijke bepaling van dit niveau van bescherming heeft plaatsgevonden.

125. In het eerste geval houdt de vaststelling van het niveau van bescherming, zoals hierboven is uiteengezet, nauw verband met de doelstellingen van het betrokken optreden van de Unie. Zij weerspiegelt een evenwicht tussen de noodzaak om de doeltreffendheid van het optreden van de Unie te verzekeren en de noodzaak om de grondrechten afdoende te beschermen. In die situatie is het duidelijk, dat wanneer een lidstaat zich achteraf op de handhaving van zijn eigen, hoger niveau van bescherming zou kunnen beroepen, het door de wetgever van de Unie gecreëerde evenwicht zou worden verbroken en de toepassing van het recht van de Unie in gevaar zou worden gebracht.

126. In de context van het kaderbesluit is artikel 4 bis, lid 1, daarvan de uitdrukking van een overeenstemming tussen alle lidstaten over de gevallen waarin een bij verstek veroordeelde persoon moet worden overgeleverd zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan diens recht op een eerlijk proces en aan diens rechten van verdediging. Deze consensus tussen de lidstaten laat geen ruimte voor de toepassing van daarvan afwijkende nationale maatstaven van bescherming.

127. In het tweede geval hebben de lidstaten daarentegen een grotere speelruimte voor de toepassing, binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie, van het niveau van bescherming van de grondrechten dat zij binnen hun nationale rechtsorde willen waarborgen, mits dit niveau van bescherming verenigbaar is met de goede toepassing van het recht van de Unie en geen afbreuk doet aan andere krachtens het recht van de Unie beschermde grondrechten."

Conclusie

De AG geeft het Hof in overweging de vragen van het Tribunal Constitucional als volgt te beantwoorden:

  1. "Artikel 4 bis, lid 1, sub a en b, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling bedoelde gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dit bevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen.
  2. Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, is verenigbaar met de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
  3. Artikel 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toe, op grond van zijn nationaal grondwettelijk recht de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dat bevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, nu artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, de toepassing van een dergelijke voorwaarde niet toestaat."

Klik hier voor de volledige conclusie.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF