HR: Leugens in aangifte zijn geen valse aangifte (188 Sr) als leugens niet toezien op aangiftefeit

Hoge Raad 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3544

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 oktober 2013 verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren wegens aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Overeenkomstig de tenlastelegging is bewezenverklaard dat de verdachte:

"op 19 januari 2011 te Amsterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] (agent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van stalking."

Het Hof heeft - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:

"De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft verweer gevoerd zoals weergegeven in zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort en zakelijk weergegeven heeft de raadsman aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet bij de aangifte heeft vermeld dat zij met [betrokkene] een relatie had of kort geleden die relatie had verbroken, de aangifte nog niet vals maakt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft op 19 januari 2011 tegen [betrokkene] ([betrokkene]) aangifte van stalking gedaan. Vast staat dat de verdachte in het najaar van 2010 een aantal maanden met [betrokkene] voornoemd een relatie heeft gehad. Op 19 januari 2011, toen de verdachte aangifte deed, heeft zij het echter doen voorkomen alsof zij nooit een relatie met hem had gehad en - vanuit het niets - anderhalf jaar gestalkt werd. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat sprake is van het doen van een valse aangifte in de zin van art. 188 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op deze bepaling. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende bewoordingen.

Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd (vgl. HR 3 maart 1902, W 7735) met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981).

Het Hof heeft dit miskend. Immers, de omstandigheid dat de verdachte toen zij aangifte deed het - in strijd met de waarheid - heeft doen voorkomen "alsof zij nooit een relatie met [[betrokkene]] had gehad en - vanuit het niets – anderhalf jaar gestalkt werd" staat niet eraan in de weg dat daadwerkelijk sprake kan zijn geweest van het strafbare feit van belaging.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF