HvJEU-uitspraak Dworzecki over verstekverlening niet van toepassing op gewone strafzaak

Hoge Raad 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:976

Bij arrest van 4 februari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2015, in welk vonnis de verdachte door de rechtbank ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met een voorwaardelijk gedeelte van 90 dagen en een proeftijd van twee jaren.

Middel

In het eerste middel wordt gesteld dat het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2016 ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, nu het hof heeft nagelaten nader te onderzoeken of door de verdachte uitdrukkelijk afstand van zijn aanwezigheidsrecht was gedaan. 

Het middel doet een beroep op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 mei 2016 over de uitleg van de begrippen ‘persoonlijk gedagvaard’ en ‘anderszins officieel in kennis gesteld’ uit art. 4bis, eerste lid en onder a(i), van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (HvJEU 24 mei 2016, nr. C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki)).

Beoordeling Hoge Raad

Het middel berust op de opvatting dat de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Dworzecki heeft gegeven aan de begrippen "persoonlijk [...] gedagvaard" en "anderszins daadwerkelijk officieel in kennis [...] gesteld" in de zin van art. 4bis, eerste lid onder a sub i, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, mede bepalend is voor de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep in de onderhavige strafzaak.

Die opvatting is onjuist. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest uitleg gegeven aan een tweetal autonome begrippen van het Unierecht zoals vervat in het kaderbesluit. Het kaderbesluit, dat ziet op het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, heeft niet betrekking op de berechting van een strafzaak en derhalve ook niet op de betekening van dagvaardingen in strafzaken.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly and PDF