HR herhaalt: Voor medeplichtigheid vereist opzet

Hoge Raad 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67

De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
 

Middel

Het derde middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het bewezenverklaarde verschaffen van inlichtingen tot het medeplegen van de uitlokking door medeverdachte 4 en medeverdachte 3 heeft geleid.

Voor uitlokking is, zo stelt de toelichting, vereist dat de uitgelokte, in dit geval betrokkene 1, door de uitlokker(s), in dit geval medeverdachte 4 en medeverdachte 3, is aangezet tot het plegen van het gronddelict. Bij dat aanzetten moet het uitlokkingsmiddel de doorslag geven. Het doorslaggevende uitlokkingsmiddel is — aldus de toelichting — volgens de bewijsvoering van het hof de belofte van medeverdachte 4 aan betrokkene 1 om hem van de gebroeders betrokkene 3 en 4 te redden. De naam en het adres van slachtoffer zijn pas later aan betrokkene 1 meegedeeld. Nu betrokkene 1 zich reeds eerder bereid heeft verklaard om slachtoffer om het leven te brengen, hebben de inlichtingen die de verdachte zou hebben verschaft geen bijdrage geleverd aan de uitlokking. Voor de bewezenverklaarde medeplichtigheid is immers vereist, aldus nog steeds de toelichting, dat de uitvoering van het misdrijf, in dit geval de uitlokking van de poging moord en niet de poging moord zelf, is bevorderd of gemakkelijk gemaakt.
 

Beoordeling Hoge Raad

Voorop moet worden gesteld dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Het gaat bij de 'handelingen' van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. (Vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780, NJ 2008/156 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342). Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 2.2.3 weergegeven overwegingen vastgesteld dat het opzet van de verdachte was gericht op de dood van slachtoffer en dat de verdachte actief betrokken was bij het plannen van alsmede, tezamen met een ander, inlichtingen heeft verschaft tot de (poging tot) moord op slachtoffer. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, geeft het oordeel van het Hof dat het opzet van de verdachte bewezen kan worden verklaard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.


Conclusie AG

23. Uit de bewezenverklaring, die in het voorgaande reeds is weergegeven, volgt dat het hof bewezen heeft verklaard dat betrokkene 1 in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 juli 2010 door medeverdachte 4 en medeverdachte 3 is uitgelokt tot de poging tot moord. Daarbij is bewezenverklaard dat het uitlokken heeft plaatsgevonden “door een belofte en door het verschaffen van middelen en inlichtingen”. Dat is vervolgens feitelijk uitgewerkt in een aantal specifieke gedragingen. Bewezen verklaard is onder meer dat medeverdachte 4 en medeverdachte 3 “adresgegevens en de naam van slachtoffer ter beschikking (hebben) gesteld” en “de woning van slachtoffer aan die betrokkene 1 (hebben) getoond”. Uit bewijsmiddel 2 kan, zo geven ook de stellers van het middel aan, worden afgeleid dat inlichtingen over slachtoffer op 12 juli 2010 aan betrokkene 1 zijn doorgegeven. betrokkene 1 verklaart, kort gezegd, dat medeverdachte 4 en medeverdachte 3 hem op die dag hebben opgehaald en dat zij langs het huis in Gouda reden waar hij later op iemand zou moeten schieten. Uit bewijsmiddel 3 kan worden afgeleid, zo geven de stellers van het middel eveneens aan, dat de naam en het adres van slachtoffer op 21 juli 2010, de dag van de aanslag, op papier aan betrokkene 1 ter beschikking zijn gesteld door medeverdachte 4. Al met al volgt uit de bewijsmiddelen dat de verstrekte inlichtingen door medeverdachte 4 en medeverdachte 3 zijn benut om betrokkene 1 uiteindelijk in staat te stellen de moordaanslag te plegen.

24. Dat is evenwel nog niet genoeg om het verschaffen van (deze) inlichtingen aan betrokkene 1 als een uitlokkingsmiddel aan te merken. Als daders van een strafbaar feit worden ingevolge art. 47 Sr onder meer aangemerkt “zij die (..) door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken”. In die formulering ligt een causaliteitseis besloten. Krabbe stelt dat deze “causaliteitskwestie moet worden bekeken aan de hand van de gangbare causaliteitsopvattingen”.10 Het gaat er volgens hem om “of het gevolg – hier het strafbare feit— in redelijkheid kan worden toegerekend aan de invloed van de aangewende middelen, terwijl andere factoren niet een zodanig verstorende werking en eigen invloed hebben uitgeoefend op het tot stand komen van het strafbare feit, dat dit in redelijkheid niet meer aan de werking van de gebezigde uitlokkingsmiddelen kan worden toegerekend”. Ook De Hullu zou bij deze ‘intermenselijke veroorzaking’ met dit criterium willen werken, al tekent hij daarbij aan “dat de invulling van dit vage criterium steeds wordt bepaald door de rechtsvraag in kwestie”. Hij vestigt er daarbij nog de aandacht op dat door het ”uiteindelijke wilsbesluit, het ‘onvoorwaardelijk voornemen’ moet zijn uitgelokt” en signaleert dat het niet altijd veel moeite behoeft te kosten om de uitgelokte over te halen: een smokkelaar kan “worden uitgelokt tot een bepaalde smokkelaffaire”.

25. Wat de onderhavige strafzaak betreft kan met de stellers van het middel worden vastgesteld dat betrokkene 1 zich, volgens zijn als bewijsmiddel 2 opgenomen verklaring, al op 6 juli 2010 bereid verklaarde om een aanslag te plegen:

“ medeverdachte 4 zou mij redden van de gebroeders betrokkene 3 en betrokkene 4 uit Cuijk maar verlangde wel een tegenprestatie. Toen ik medeverdachte 4 en medeverdachte 3 vroeg wat dit moest zijn, maakten zij mij duidelijk dat ik op iemand moest schieten. Hij heeft mij toen verteld dat ik iemand een paar keer in de borst moest schieten. Ik heb ja gezegd op de vraag van medeverdachte 4 of ik op iemand wilde schieten.”

Dat betekent naar het mij voorkomt evenwel niet dat het hof de uitlokking van betrokkene 1 niet redelijkerwijs (mede) heeft kunnen toerekenen aan gedragingen die nadien zijn gepleegd. De verklaring van betrokkene 1 van 6 juli 2010 kan ook gezien worden als een initiële bereidverklaring die pas in de loop van de verdere voorbereiding geworden is tot het uiteindelijke wilsbesluit om de moord te plegen. Het hof lijkt daar van uit te zijn gegaan; in de bewezenverklaring ligt besloten dat het uiteindelijke wilsbesluit, het onvoorwaardelijk voornemen, pas tot stand is gekomen na het overhandigen van het vuurwapen en het krijgen van instructies over de wijze waarop de moord op slachtoffer diende te worden uitgevoerd. Mij komt het voor dat deze beslissing in het onderhavige geval, waarin de uitgelokte steeds onder de invloed van de uitlokkers is gebleven en er door een serie gedragingen toe gebracht is de aanslag uiteindelijk te plegen, niet onbegrijpelijk is. Van verstorende, buiten de invloedssfeer van de uitlokkers gelegen oorzaken die tot het plegen van het strafbare feit hebben geleid blijkt niet. Daarbij is het alternatief voor het als uitlokkingsmiddel aanmerken van deze gedragingen niet erg aantrekkelijk: de bijdragen die medeverdachte 4 en medeverdachte 3 na de initiële bereidverklaring van betrokkene 1 aan de moordaanslag hebben geleverd zouden dan als medeplichtigheid moeten worden aangemerkt. Dat zou de tenlastelegging nog verder compliceren. Krabbe houdt de mogelijkheid open dat onder omstandigheden uitlokking kan worden gevolgd door medeplichtigheid,12 mij lijkt dat ook terecht, maar ik zou die benadering waarin de gedragingen over uitlokking en medeplichtigheid worden opgesplitst liever willen reserveren voor de situatie waarin de uitgelokte na zijn bereidverklaring de uitvoering zelf ter hand neemt en de uitlokkers daarbij nog slechts hand- en spandiensten verlenen. 

26. Het derde middel faalt.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF