HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijke leidinggever en opzet van leidinggever

Hoge Raad 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2247

De verdachte is bij arrest van 28 december 2016 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens:

1. “overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven”, 2. primair en 3. telkens “overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 120, tweede lid, van de Woningwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven”, voor elk feit afzonderlijk telkens afzonderlijk veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), subsidiair 20 (twintig) dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft het hof de verdachte wegens 4. “overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, subsidiair 15 (vijftien) dagen hechtenis en wegens 5. en 6. telkens “overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezenverklaard dat:

"1:

[A] B.V. in het jaar 2011 te Zevenhuizen, gemeente Leek, een handeling met betrekking tot een afvalstof heeft laten verrichten, te weten het laten verwijderen van asbest uit kippenstallen gelegen op een perceel aan de [a-straat 1] , terwijl [A] B.V. redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen,

zulks terwijl hij, verdachte, aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

6 primair:

[A] B.V. en [B] B.V. in de periode van 13 januari 2013 tot en met 1 juni 2013, te Zevenhuizen, gemeente Leek, opzettelijk op of in de bodem een handeling als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft laten verrichten, te weten het in de bodem laten brengen van (verontreinigd) puin, terwijl [A] B.V. en [B] B.V. redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging te voorkomen

zulks terwijl hij, verdachte, aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

"Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

(...)

Onder leiding van medeverdachte [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) , de bedrijfsleider van het pluimveebedrijf met de naam [A] B.V., zijn in het jaar 2011 werkzaamheden uitgevoerd in oude kippenschuren van dit bedrijf. Naar het oordeel van het hof staat vast dat [betrokkene 3] op aanwijzing van en in overleg met verdachte de directeur van [A] B.V., gaten heeft gezaagd (en door medewerkers heeft laten zagen) in de wanden van de oude kippenschuren op het terrein van het pluimveebedrijf. Na verwijdering van de wandbeplating bleek dat deze beplating asbestcement bevatte behorende tot risicoklasse 2. Daarmee staat vast dat verdachte asbest heeft laten verwijderen uit de in de tenlastelegging genoemde kippenstallen.

Deze kippenstallen zijn gebouwd vóór 1993. Het hof neemt als feit van algemene bekendheid aan dat zich in dergelijke bouwwerken - met name die met een agrarische bestemming - (ook in de wandplaten) asbesthoudende materialen kunnen bevinden.

In de gegeven omstandigheden had verdachte er naar het oordeel van het hof rekening mee moeten houden dat er mogelijk asbest in de wandbeplating zat. Dat brengt met zich dat verdachte - indien hij een onderzoek zou hebben ingesteld naar de aanwezigheid van asbest - ook redelijkerwijs had kunnen weten dat door de verwijdering van de wandbeplating nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Het hof verklaart aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als feitelijke leidinggever schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tenlastegelegde overtreding.

(...)

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 6 primair tenlastegelegde misdrijf

(...)

Op 13 januari 2013 is op het terrein van [B] B.V., waarvan verdachte de directeur en enig aandeelhouder is, een gebouw afgebrand waarin een buitensauna was gesitueerd. In opdracht van verdachte is het puin van de afgebrande buitensauna afgevoerd. Verdachte heeft verklaard dat alle houten stukken voorafgaande aan de afvoer tussen dit puin uit zijn gehaald. Het puin is uiteindelijk gestort onder een nieuw wegdek op het terrein van [A] B.V. (waar verdachte een pluimveebedrijf exploiteert).

[betrokkene 3] , de bedrijfsleider van [A] B.V., heeft verklaard dat hij het van de brand afkomstige puin van de Sauna bij [A] B.V. in de bodem heeft gebracht. Verdachte vroeg hem of hij een plekje wist voor dit puin. Daarna heeft [betrokkene 3] het puin in de grond gebracht.

Tijdens het onderzoek in de bodem op het terrein van [A] B.V. is direct onder het asfalt gebroken puingranulaat aangetroffen met daaronder puin bestaande uit gebroken bakstenen en (grote) brokken beton. De gebroken bakstenen waren zwart aan de buitenkant en rood/oranje aan de binnenkant. Op de stenen waren roetplekken te zien. Tijdens het opgraven van dit puin rook de aanwezige verbalisant een sterke brandlucht. Het hof gaat er derhalve van uit dat voornoemd puin afkomstig was uit de brand bij [B] .

Uit het voorgaande leidt het hof af dat geen sprake geweest kan zijn van gerecycled puin. Het hof stelt vast dat het (verontreinigde) puin onbewerkt in de bodem is gebracht.

Naar het oordeel van het hof kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk in de bodem brengen van het uit de brand in [B] afkomstige puin. Voorts acht het hof bewezen dat de bodem door dit handelen verontreinigd kon worden. Verdachte had dit - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - redelijkerwijs kunnen vermoeden. Ook zijn door verdachte geen maatregelen genomen om deze eventuele verontreiniging te voorkomen."

Middel

Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat verdachte zich (telkens) als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan de door de rechtspersoon verrichte verboden gedragingen zoals bewezenverklaard onder 1 t/m 4, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.

De klacht is ten aanzien van alle onder 1 t/m 4 bewezenverklaarde feiten (vrijwel) identiek en komt erop neer dat de telkens in de motivering van het hof terugkomende overwegingen dat verdachte er “rekening mee [had] moeten houden” en dat verdachte “redelijkerwijs had kunnen weten” (feit 1 en 4) onvoldoende is voor het bewijs van het voor feitelijk leidinggeven vereiste opzet, en dat het hof aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Subsidiair, voor zover in de overwegingen van het hof wel de juiste maatstaf kan worden ingelezen, zouden de bewijsmiddelen te weinig inhouden voor het oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging(en) zich zou(den) voordoen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft feit 1 gekwalificeerd als overtreding ("overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven") en feit 6 als misdrijf ("overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven").

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, omtrent het feitelijke leidinggeven onder meer het volgende overwogen:

"3.5.1. Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. (...)

3.5.2. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

3.5.3. In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan - in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten - ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten."

Het middel voert ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 aan dat uit de bewijsvoering het in het feitelijke leidinggeven besloten liggende opzet van de verdachte op de verboden gedraging niet blijkt.

Het Hof heeft met betrekking tot feit 1 vastgesteld dat:

- de verdachte bestuurder was van [A] B.V.;

- de verdachte als directeur de dagelijkse leiding had en de eindverantwoordelijkheid droeg;

- de verdachte de kippenstallen in 1977 zelf heeft laten bouwen;

- op aanwijzing van de verdachte en in overleg met hem de bedrijfsleider in 2011 is begonnen met de verbouwing van de kippenstallen, waarbij openingen zijn gezaagd in de wandbeplating van die kippenstallen;

- in die wandbeplating asbest zat.

Het Hof heeft voorts overwogen dat, gelet op de omstandigheid dat de kippenstallen vóór 1993 zijn gebouwd, het een feit van algemene bekendheid is dat "zich in dergelijke bouwwerken - met name die met een agrarische bestemming - (ook in wandplaten) asbesthoudende materialen kunnen bevinden".

In deze overwegingen ligt als het oordeel van het Hof besloten niet alleen dat de verdachte - in aanmerking genomen zijn betrokkenheid bij de werkzaamheden aan de kippenstallen door het laten verwijderen van mogelijk asbesthoudende wandbeplating - als bestuurder en directeur bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te nemen ter voorkoming van de verboden gedraging van de rechtspersoon, hij dit heeft nagelaten en hij daardoor deze gedraging heeft bevorderd, maar ook dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

Het middel klaagt wat betreft feit 6 over het oordeel van het Hof "dat het 'redelijkerwijs kunnen vermoeden (dat de bodem verontreinigd kon worden)' voldoende is voor het bewijs van het voor leidinggeven vereiste opzet".

De voor de beoordeling van deze klacht van belang zijnde wettelijke bepalingen luiden als volgt.

Art. 13 Wet bodembescherming:

"Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

Art. 1a WED:

"Economische delicten zijn eveneens:

(...)

1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

(...)

de Wet bodembescherming, de artikelen 6 tot en met 13 (...)"

Art. 2, eerste lid, WED:

"De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan (...)"

De klacht faalt omdat deze berust op de onjuiste opvatting dat het opzetvereiste zich in een geval als het onderhavige ook uitstrekt tot het delictsbestanddeel "dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd". Die opvatting vindt immers geen steun in het recht, omdat blijkens de delictsomschrijving ten aanzien van dat bestanddeel ook "redelijkerwijs had kunnen vermoeden" toereikend is.

Conclusie AG

24. Voor de beoordeling van het middel is het van belang vast te stellen welk opzet is vereist om feitelijk leidinggeven aan een overtreding gepleegd door een rechtspersoon te kunnen bewijzen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk) op hoofdlijnen een verduidelijking gegeven van het beslissingskader met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichtte verboden gedragingen als bedoeld in art. 51, tweede lid aan hef en onder 2, Sr. In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot feitelijk leidinggeven onder meer het volgende overwogen:

3.5.1. Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.

3.5.2. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

3.5.3. In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.”

25. Feitelijk leidinggeven veronderstelt dus opzet, met voorwaardelijk opzet als ondergrens. Waar dat opzet op moet zien is evenwel afhankelijk van het type delict. Bij doleuze misdrijven is dat vrij duidelijk en levert dat ook vrij weinig discussie op. Voor een bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven aan een opzetdelict is vereist dat sprake is van opzet op het leidinggeven zelf en op de verboden gedraging die door de rechtspersoon wordt begaan. Feitelijk leidinggeven aan culpoze misdrijven en overtredingen is echter evengoed mogelijk. Het gaat in dat geval om opzettelijk leidinggeven aan een verboden gedraging. Als de verboden gedraging een overtreding oplevert, is opzet op die gedraging niet vereist. Ik verduidelijk het aan de hand van de Enschedese vuurwerkramp-zaak. In die zaak stond het feitelijk leidinggeven aan een culpoos delict, te weten het door een rechtspersoon niet opzettelijk te veel en te zwaar vuurwerk opslaan. Voor een bewezenverklaring is in dat geval vereist dat sprake is van opzet op het aanwezig hebben van vuurwerk en niet op het aanwezig hebben van te veel of te zwaar vuurwerk.

26. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De verdachte is door het hof vrijgesproken van feitelijk leidinggeven aan de onder 1 t/m 4 tenlastegelegde opzettelijke misdrijven, waarna het hof tot een bewezenverklaring is gekomen van feitelijk leidinggeven aan de onder 1 t/m 4 tenlastegelegde overtredingen. In tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel betoogt is daarvoor dus niet vereist dat verdachte wist (of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard) dat de werkzaamheden van de kippenstallen asbest betroffen. Voor die opzettelijke misdrijfvariant is de verdachte nu juist vrijgesproken. Voldoende is dat de verdachte als feitelijk leidinggever wetenschap had dat de rechtspersoon doende was de in 1977 gebouwde kippenstallen te laten verbouwen, meer in het bijzonder delen van wanden uit de kippenstallen te laten verwijderen zonder voorzorgsmaatregelen te nemen (feit 1), en zonder te beschikken over een asbestinventarisatierapport (feit 2), welke werkzaamheden zijn verricht door een bedrijf dat niet in het bezit is van een certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid, Arbeidsomstandighedenbesluit (feit 3), zulks terwijl de werknemers van dat bedrijf bij het verwijderen van delen van de wanden uit de kippenstallen onvoldoende bescherming is geboden (feit 4).

27. Uit de door hof gebezigde bewijsmiddelen volgt onder meer dat verdachte bestuurder is van het pluimveebedrijf A B.V (bewijsmiddel 1) en dat hij als directeur de dagelijkse leiding heeft en eindverantwoordelijke is (bewijsmiddel 5). De verdachte heeft de in de bewezenverklaring bedoelde kippenstallen in 1977 zelf laten bouwen (bewijsmiddel 4). In 2011 is begonnen met de verbouwing van de kippenstallen. De verdachte nam, tezamen met de bedrijfsleider betrokkene 3, de beslissingen, maar de eindverantwoordelijkheid lag bij de verdachte (bewijsmiddel 5 en 7). De verdachte heeft in die hoedanigheid ook het besluit genomen dat er openingen in de wandplaten van de kippenstallen werden gezaagd (bewijsmiddel 5). Vervolgens is in opdracht van verdachte door betrokkene 3 aan een tweetal werknemers de opdracht gegeven gaten in de wandplaten van de kippenstallen te zagen. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat er asbest in de wandplaten van de kippenstallen zat (bewijsmiddel 7 en 8), dat de verdachte voorafgaand aan de werkzaamheden geen asbestinventarisatierapport heeft laten opmaken (bewijsmiddel 5), dat het bedrijf dat de wanden uit de kippenstallen heeft verwijderd niet beschikte over een asbestcertificaat (bewijsmiddel 5 en 7) en dat de werknemers die de werkzaamheden aan de kippenstallen hebben uitgevoerd geen bescherming droegen tijdens de werkzaamheden (bewijsmiddel 9 en 10). Gelet hier op heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte, hoewel daartoe bevoegd en gehouden, niet de vereiste voorzorgsmaatregelen heeft genomen bij de verwijdering van de wandplaten van de kippenstallen. Anders dan het middel betoogt is de bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 4, voor zover inhoudende dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de in de bewezenverklaringen bedoelde verboden gedragingen, toereikend gemotiveerd.

28. Het derde middel heeft geen kans van slagen.

29. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat A B.V. en B B.V. een handeling hebben laten verrichten, te weten het in de bodem laten brengen van verontreinigd puin, terwijl zij redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd, zoals onder 6 bewezenverklaard mede in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijk geef van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat het puin daadwekelijk verontreinigd was.

30. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 december 2016 houdt in dat de door de raadsman van de verdachte op 8 december 2016 ingediende schriftuur geacht wordt ter terechtzitting te zijn voorgedragen. In de schriftuur wordt uitgebreid uiteengezet dat en waarom de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is geweest van verontreinigd puin. Kort samengevat komt het verweer van de verdediging erop neer dat het puin dat in de bodem is gebracht niet is onderzocht en dat aldus niet kan worden vastgesteld dat dit puin verontreinigd is en dat de verdachte derhalve vrijgesproken dient te worden van het onder 6 tenlastegelegde. Het hof is in het bestreden arrest hiervan afgeweken door tot een bewezenverklaring te komen van het onder 6 tenlastegelegde en heeft daartoe overwogen zoals hiervoor onder randnummer 5 weergegeven.

31. Het onder 6 tenlastegelegde ziet op art. 13 Wet bodembescherming (WBB). De WBB is in 1987 in werking getreden met als doel het voorkomen van verontreiniging en aantasting van de bodem, alsmede het treffen van maatregelen die beogen reeds aanwezige vormen van milieubelasting ongedaan te maken of te beperken. Art. 13 WBB legt degene die een handeling als bedoeld in de art. 6 t/m 11 WBB verricht, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat door deze handeling(en) de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, de verplichting op om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde de verontreiniging (of aantasting) van de bodem ten gevolge van de betrokken handeling te voorkomen. Art. 13 Wet bodembescherming bevat een dubbele zorgplicht: het voorkomen én het beperken/ongedaan maken van (de gevolgen van) bodemverontreiniging. De in art. 13 WBB neergelegde verplichtingen moeten dus niet enkel worden nagekomen indien de bodem daadwerkelijk wordt verontreinigd of aangetast. De verplichtingen moeten ook worden nagekomen indien de in art. 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming bedoelde handelingen het risico meebrengen dat de bodem wordt verontreinigd of aangetast (en de betrokkene zich daarvan bewust is of dat redelijkerwijs moet vermoeden).

32. Een en ander betekent dat voor een bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde in de onderhavige zaak niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bodem daadwerkelijk is verontreinigd. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat door de bewezenverklaarde handeling - het in de bodem brengen van puin afkomstig van de afgebrande buitensauna - de bodem kon worden verontreinigd en dat de verdachte zulks redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

33. Voor zover wordt betoogd dat daarvoor is vereist dat hetgeen door de betreffende handeling in de bodem wordt gebracht, zelf reeds verontreinigd is, kan ik de steller van het middel niet volgen. Daarmee zou mijns inziens een te beperkte uitleg worden gegeven aan het doel en de strekking van de in de WBB neergelegde bepalingen. Een stof of een voorwerp dat op zichzelf niet verontreinigd is (bijvoorbeeld omdat het een gebruiksvoorwerp is), kan immers door vermenging met de bodem wel tot verontreiniging van de bodem leiden.

34. Bovendien gaat het bij (de kans op) verontreiniging van de bodem verder dan de steller van het middel voor ogen heeft. Uit de memorie van toelichting bij invoering van de WBB valt op te maken dat de daarin neergelegde bepalingen strekken ter voorkoming en beperking van nadelige beïnvloeding van de kwaliteit van de bodem als gevolg van menselijke activiteiten. Ik citeer:

“De bodem, zijnde een integrerend onderdeel van het fysieke milieu, dient overeenkomstig de brief van de toenmalige minister-president van 3 oktober 1975 inzake Coördinatie Milieubeleid (Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13 643 nr. 1) beschermd te worden «met het oog op de mens, de flora en de fauna, tegen de achtergrond van de inpasbaarheid van het menselijk handelen in een stelsel van evenwicht van mens en natuurlijk milieu». Voor de bescherming van de milieucomponent bodem houdt dit in: het geheel van maatregelen, zowel gericht op het voorkomen, respectievelijk beperken of ongedaan maken van nadelige beïnvloeding van de kwaliteit van de bodem als gevolg van menselijke activiteiten, als gericht op het behoud van een gewenste kwaliteit van de bodem. Met andere woorden, de intentie van de wettelijke maatregelen zal zijn het stellen van grenzen en voorwaarden aan bepaalde menselijke activiteiten ter voorkoming en beperking van nadelige beïnvloeding. Daarbij wordt onder nadelige beïnvloeding begrepen iedere verandering van materie of van - fysische, chemische of biologische - hoedanigheden die een vermindering of bedreiging betekent van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft: in het bijzonder iedere afneming van de kwaliteit van de bodem in zodanige mate dat bedoelde functionele eigenschappen teniet worden gedaan of ernstig worden verstoord.

Het zal duidelijk zijn dat deze omschrijving van het begrip inhoudt dat hiervan vele vormen en gradaties bestaan. Wat in een concreet geval een nadelige beïnvloeding is, is uiteindelijk een kwestie van beoordeling van de situatie en van de in het geding zijnde bodemfuncties. Zonder hier reeds expliciet in te gaan op de verschillende menselijke activiteiten met betrekking tot de bodem kan worden opgemerkt dat zeker niet iedere menselijke activiteit op of in de bodem automatisch een bodembedreigende activiteit is. Activiteiten die weliswaar de kwaliteit van de bodem beïnvloeden, maar waarbij geen sprake is van nadelige beïnvloeding in voornoemde betekenis, vallen niet onder de begripsomschrijving. Slechts die activiteiten die de bodemkwaliteit nadelig kunnen beïnvloeden - of zoals het wetsontwerp zegt de bodem kunnen verontreinigen of aantasten - zijn uit een oogpunt van bodembescherming onderwerp van zorg.”

35. Over de activiteiten die de kwaliteit van de bodem (en grondwater) negatief kunnen beïnvloeden vermeldt de memorie van toelichting:

“Welke zijn nu zoal de menselijke activiteiten die de kwaliteit van bodem en grondwater nadelig kunnen beïnvloeden? Gewezen kan bij voorbeeld worden op het in toenemende mate aanleggen van ondergrondse pijpleidingen en opslagtanks voor olie en voor andere chemische produkten; op het wijdverbreide gebruik van allerlei synthetische produkten en afvalstoffen bij grondwerken als weg- en terreinverhardingen, bij het dichten van sleuven in veengebieden en dergelijke; op vele grondboringen en sonderingen die jaarlijks worden verricht ten behoeve van het grondmechanisch onderzoek en de toepassing van bepaalde moderne funderingstechnieken, waarbij in sommige gevallen gevaar aanwezig is voor het perforeren van waterafsluitende lagen; op de vele tientallen vierkante kilometers terrein die jaarlijks in Nederland worden opgehoogd, waarbij het oorspronkelijke bodemmilieu verdwijnt en waarbij in toenemende mate als ophoogmateriaal in plaats van schoon zand gebruik wordt gemaakt van milieuvreemde materialen zoals verontreinigd havenslib, zeezand, restprodukten van de chemische industrie en dergelijke; op de groei die valt te constateren in de toepassing van diepe ontwatering en diepe grondbewerking; op het gebruik van vloeivelden of bodemfilters voor het zuiveren van stedelijk en soms ook industrieel afvalwater; op de toegenomen organische mestproduktie als gevolg van de spectaculaire ontwikkelingen in de intensieve veehouderij; op het toenemend gebruik van allerlei kunstmeststoffen; op de grote belangstelling voor de mogelijkheid afval en andere stoffen in diepe ondergrondse lagen te bergen, enz.

Bovenstaande voorbeelden vormen zeker geen uitputtende opsomming van alle bodembedreigende activiteiten, maar geven een indruk van een aantal - deels nieuwe - ontwikkelingen, die thans uit een oogpunt van bodembescherming bijzondere aandacht verdienen. Het gaat daarbij steeds om handelingen, die voor de kwaliteit van de bodem voor een of meer bodem-functies een verhoogd risico inhouden. Soms zijn dat handelingen die in het kader van een bepaalde bodemfunctie worden uitgevoerd en die voor die bepaalde functie een positief effect hebben, maar tegelijk voor andere functies nadelig zijn of kunnen zijn.

Uitgaande van de gegeven voorbeelden kan men met betrekking tot activiteiten die een bedreiging vormen voor de bodem onderscheid maken tussen:

a. activiteiten die een risico inhouden voor verontreiniging van bodem en grondwater door het direct of indirect inbrengen van chemisch of bacteriologisch onbetrouwbare, dan wel in ander opzicht ongewenste stoffen (bij voorbeeld het bergen van - chemische - stoffen op of in de bodem, het gebruik van gladheidsbestrijdingsmiddelen, de toepassing van verontreinigd slib en van bepaalde ertsen als ophoogmateriaal) of een bepaalde kans daarvoor inhouden (zoals opslagtanks, pijpleidingen en dergelijke);

b. activiteiten die een risico inhouden voor beïnvloeding van de fysische eigenschappen c.q. de bodemstructuur aantasten (bij voorbeeld verdichten van het bodemoppervlak, verlaging van de grondwaterspiegel en handelingen met als gevolg bodemdalingen en verzakkingen), dan wel het evenwicht in de bodem zodanig verstoren dat verontreinigingen kunnen ontstaan of zich kunnen verspreiden (bij voorbeeld het perforeren, doorsnijden of weghalen van slecht waterdoorlatende lagen door boringen, ontgravingen, het trekken leidingsleuven, grondbewerking en dergelijke).”

36. Een en ander volgt ook uit de in art. 1 WBB opgenomen definitie van het ‘belang van de bescherming van de bodem’:

“(…)

Belang van de bescherming van de bodem: het belang van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van veranderingen van hoedanigheden van de bodem, die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft;”

37. Het gaat dus om activiteiten die een bedreiging vormen voor de bodem. Uit het voorgaande alsmede uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat voor een bewezenverklaring van overtreding van art. 13 WBB, zoals in de onderhavige zaak onder 6 tenlastegelegd, voldoende is dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het in de grond gebrachte puin eigenschappen heeft die de bodem kunnen verontreinigen. Daarvan is volgens de Hoge Raad bijvoorbeeld geen sprake indien balen hooi of autobanden op een weiland worden achtergelaten. Door het achterlaten van spullen op de bodem die verontreinigde eigenschappen bevatten, hoeft op zichzelf de bodem nog niet te worden verontreinigd. Immers het enkele feit dat - bijvoorbeeld - een autoband ergens wordt achtergelaten heeft nog niet tot gevolg dat deze autoband vermengt met de bodem zodat de bodem hierdoor kan worden verontreinigd.

38. Dat is in de onderhavige zaak evenwel anders. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat op 13 januari 2013 bij het saunacomplex van B B.V., waarvan verdachte de directeur en eindverantwoordelijke is (bewijsmiddel 2 en 5), een buitensauna is afgebrand (bewijsmiddel 3). In datzelfde jaar is het puin van de brand in de grond gebracht bij pluimveebedrijf A B.V. (bewijsmiddel 6) waarvan verdachte eveneens directeur is (bewijsmiddel 5). Alleen de houtresten zijn uit het puin gehaald (bewijsmiddel 6). Verdachte heeft hiertoe besloten en aan betrokkene 3, bedrijfsleider van een van de bedrijven van verdachte, opgedragen het puin onder het asfalt in de grond te brengen (bewijsmiddel 6 en 7), zulks terwijl hij wist dat het puin afkomstig was van de brand in het saunacomplex en dat het puin officieel moest worden afgevoerd (bewijsmiddel 6). Op 11 september 2013 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar het mogelijk in de grond brengen van afvalstoffen op het terrein van A B.V. Daaruit kwam naar voren dat onder het asfalt een toplaag met gebroken puingranulaat lag. Daaronder lag puin bestaande uit onder meer gebroken bakstenen die aan de buitenzijde zwart waren en rood/oranje aan de binnenzijde. Het puin, dat niet was bewerkt met een puinbreker, kwam in contact met het grondwater. Van het puin kwam een sterke brandlucht af (bewijsmiddel 12).

39. Uit het voorgaande heeft het hof afgeleid dat het puin afkomstig is van de brand bij B, dat de zwarte plekken op de bakstenen roetplekken betreffen en dat het puin onbewerkt in de bodem is gebracht, welk oordeel in cassatie niet wordt bestreden zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het in de grond gebrachte puin dat afkomstig is van de afgebrande sauna, gelet op het aanwezige roet en de van het puin afkomstige brandlucht, eigenschappen bevat die de bodem kunnen verontreinigen. In aanmerking genomen dat het puin, dat afgezien van de houtresten ongesorteerd en niet gerecycled in de grond is gekomen en dat het in aanraking is gekomen met het grondwater, is dat oordeel onjuist noch onbegrijpelijk. Uit de verklaringen van verdachte, inhoudende dat hij wist dat het puin afkomstig was van de brand, dat hij alleen de houtresten eruit heeft gehaald en dat hij wist dat het puin officieel afgevoerd moest worden, heeft het hof voorts kunnen opmaken dat verdachte redelijkerwijs kon vermoeden dat door het in de grond brengen van het puin van de afgebrande sauna de bodem verontreinigd kon worden, zodat het hof het verweer van de verdediging op toereikende gronden heeft verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly and PDF ^