HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. beslissen op voorafgaand aan de zitting door raadsman gedane aanhoudingsverzoek

Hoge Raad 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2579

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een aan het Hof gericht faxbericht van A.B. Baumgarten, raadsman van de verdachte, van 3 februari 2016, onder meer inhoudende:

"Tevens verzoek ik u een nieuwe datum te bepalen omdat ik, nu ik deze zaak pas heden ter overname heb ontvangen, meer tijd nodig heb om deze zaak met cliënt te bespreken en ook alle stukken nog niet in mijn bezit zijn. Op 17 februari a.s. in de ochtend heb ik ook nog een andere zitting gepland staan. Is het mogelijk om het tijdstip te verlaten want ik moet vanuit Den Haag naar Zwolle reizen om de zitting bij te wonen."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 is de raadsman van de verdachte aldaar niet verschenen. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt voorts het volgende in:

"De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter (...)

De voorzitter deelt mee dat mr. A.B. Baumgarten uit Den Haag zich heeft gesteld als raadsman van verdachte, dat de raadsman per brief van 3 februari 2016 heeft verzocht om aanhouding van de zaak, dat dit verzoek niet op voorhand is gehonoreerd en dat die beslissing ook voorafgaand aan de zitting aan de raadsman is medegedeeld."

Vervolgens heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting gesloten en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat het van oordeel was dat het beroep niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het door de raadsman van de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting gedane verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak.

Beoordeling Hoge Raad

Uit het samenstel van de bepalingen in de artikelen 278, derde en vierde lid, 329, 330 en 331, eerste lid, Sv, die ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte om uitstel van de behandeling als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv ter terechtzitting moet worden beslist - nadat het openbaar ministerie omtrent dat verzoek is gehoord - en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het proces-verbaal van de terechtzitting op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds de verdachte, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen.

Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopig oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd. (Vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454.)

Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing in omtrent het verzoek van de raadsman tot uitstel van de behandeling. Dat heeft, naar voortvloeit uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg. De enkele omstandigheid dat de verdachte zonder raadsman ter terechtzitting is verschenen, maakt het voorgaande niet anders.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF