HR herhaalt aan te leggen maatstaf (beginselen van een behoorlijke procesorde) bij de beoordeling van een verzoek tot het overleggen van nieuwe bescheiden en stukken van overtuiging in h.b.

Hoge Raad 7 november2017, ECLI:NL:HR:2017:2818

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 april 2016 het vonnis van de rechtbank Gelderland, waarbij de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling” werd veroordeeld, vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en het vonnis voor het overige bevestigd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

Middel

Het eerste middel behelst onder meer de klacht dat de weigering van het hof een door de verdachte geschreven stuk, inhoudende zijn op schrift gestelde bezwaren (standpunten en verweren, met toelichting daarop), in ontvangst te nemen strijdig is met de in art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv aan de verdachte gegeven bevoegdheid om in hoger beroep nieuwe bescheiden over te leggen. Het hof heeft zijn weigering bovendien ontoereikend gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door of namens de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. (Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409.)

In aanmerking genomen dat de voorzitter van het Hof ter terechtzitting heeft medegedeeld dat het Hof de door de verdachte op schrift gestelde bezwaren niet in ontvangst kan nemen, heeft het Hof verdachtes verwijzingen naar zijn - op schrift gestelde - bezwaren kennelijk opgevat als een verzoek zijnerzijds het stuk over te kunnen leggen. Zo een verzoek is een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv. Door te oordelen dat dit verzoek wordt afgewezen op de grond dat de verdediging van de verdachte bij pleidooi is gevoerd door diens raadsman en de Advocaat-Generaal niet meer zal kunnen reageren op dat stuk, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het Hof heeft ofwel de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van het verzoek miskend, ofwel, indien het dit niet heeft gedaan, zijn oordeel niet behoorlijk gemotiveerd.

De klacht is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF