Hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag wordt toegekend in een 89 sv-procedure, omdat er veel media-aandacht aan de zaak is besteed

Rechtbank Den Haag 2 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6930 Het verzoekschrift strekt tot een vergoeding ten laste van de Staat voor de immateriële schade welke verzoeker tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 2.700,00, vermeerderd met een bedrag van in totaal € 1.409,62 ter zake van gederfde inkomsten, verminderd met een bedrag van in totaal € 130,00 ter zake van bespaarde kosten van levensonderhoud, met het verzoek dit te voldoen door overmaking naar rekeningnummer ten name van Advocatenkantoor Bezuidenhout.

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een inmiddels onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 28 november 2014, waarbij verzoeker is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek.

Verzoeker is in deze zaak op 27 juni 2012 in verzekering gesteld, op 30 juni 2012 in voorlopige hechtenis gesteld en op 10 juli 2012 in vrijheid gesteld. Derhalve heeft verzoeker 13 dagen zijn vrijheid moeten missen.

Verzochte hogere forfaitaire vergoeding

Ingevolge artikel 89, eerste lid Sv kan de rechter, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering of voorlopige hechtenis heeft geleden.

Artikel 90, eerste lid, Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank pleegt, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding op basis van artikel 89 Sv te relateren aan zogenaamde forfaitaire bedragen, die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De door het LOVS vastgestelde forfaitaire bedragen zien op immateriële schade. Hierbij geldt als uitgangspunt dat zonder onderzoek naar de schadefactoren van een specifiek geval deze vastgestelde forfaitaire bedragen worden toegekend. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor een toekenning van een hogere vergoeding. Dat een zodanig zeer uitzonderlijk geval zich voordoet zal door de verzoeker moeten worden gesteld en deugdelijk moeten worden onderbouwd.

In de thans voorliggende zaak heeft verzoeker gesteld dat aan hem een hogere forfaitaire vergoeding dient te worden toegekend.

Verzoeker heeft verzocht om een vergoeding van € 2.700,00 wegens ten onrechte ondergane hechtenis. Verzoeker is van mening dat, gelet op de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak en het leed dat verzoeker in verband met de onderhavige zaak in vergelijking met andere verdachten in andere zaken is aangedaan, hem een wezenlijke hogere vergoeding dan de standaardvergoeding dient te worden toegekend. Verzoeker heeft hieraan met name ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden door de zeer grote mediabelangstelling.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de dagvergoeding als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat in casu termen aanwezig zijn om een hoger bedrag toe te wijzen dan het standaardbedrag, nu uit het verzoekschrift is gebleken dat de op verzoeker toegepaste dwangmiddelen voor hem ingrijpende gevolgen hebben gehad. Hierbij is van belang dat voor schadevergoeding ex artikel 89, eerste lid, Sv alleen in aanmerking komt de schade die direct verband houdt met de ten onrechte ondergane verzekering en voorlopige hechtenis. Het is aannemelijk dat het ondergaan van inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis zwaarder dan gemiddeld weegt voor een verdachte die veel media-aandacht heeft gekregen, welke berichten vrij gemakkelijk tot deze verdachte te herleiden waren. Dat verzoeker hierdoor in bovengemiddelde mate immateriële schade heeft geleden ten gevolge van de ten onrechte ondergane hechtenis is derhalve aannemelijk.

De rechtbank ziet hierin reden om in dit geval in enige mate af te wijken van de forfaitaire vergoeding die doorgaans wordt gehanteerd, doch niet in de mate die verzoeker voorstaat. De raadsman van verzoeker heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat verzoeker de status van bekende Nederlander heeft en in dit verband gerefereerd aan de navolgende zaken, te weten: ECLI:NL:GHDHA:2014:4159; ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4924 en ECLI:NL:RBLIM:2013:CA2793. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat verzoeker als een bekende Nederlander kan worden beschouwd.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding van € 157,50 per dag toe te kennen ter zake van de door hem geleden immateriële schade ten gevolge van de periode doorgebracht in verzekering en een vergoeding van € 120,00 per dag voor de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis. Hieruit volgt dat aan verzoeker een bedrag van in totaal € 1.672,50 (3 x € 157,50 + 10 x € 120,00) wordt toegekend als vergoeding voor de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Geleden inkomstenderving

Wat betreft de door verzoeker gestelde inkomstenderving overweegt de rechtbank als volgt.

De door verzoeker geleden materiële schade bestaat, aldus verzoeker, uit het geleden inkomstenverlies als gevolg van het voorarrest. Blijkens de bij het verzoekschrift in afschrift overgelegde loonspecificaties van verzoeker was verzoeker ten tijde van zijn inverzekeringstelling in dienst bij Holland Casino Scheveningen. In raadkamer heeft hij aangegeven dat hij sindsdien geen loon meer heeft ontvangen, hetgeen niet door de officier van justitie is betwist en ook aannemelijk voorkomt. Nu het aannemelijk is dat het gederfde inkomen een direct gevolg is geweest van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, komt deze in de onderhavige procedure voor vergoeding in aanmerking, met dien verstande dat het netto-loon in plaats van het bruto-loon zal worden toegekend.

Blijkens de loonspecificaties van het jaar 2012 heeft verzoeker in dat jaar in totaal over de maanden januari, februari, maart en april aan netto-loon een bedrag van € 8.489,36 ontvangen, hetgeen per kalenderdag resulteert in een bedrag van € 70,16 + 8 % vakantiegeld = € 75,77. De maand mei is in deze berekening niet meegenomen, omdat in deze maand een veel hoger bedrag is uitgekeerd in verband met vakantiegeld.

Verzoeker is op 27 juni 2012 in verzekering gesteld en op 10 juli 2012 in vrijheid gesteld. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen welke verzoeker niet heeft kunnen werken als gevolg van de ondergane detentie. De rechtbank stelt de vergoeding vast op een (netto) bedrag van in totaal € 985,00 (€ 75,77 x 13). Hierop wordt in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 130,00 ter zake van bespaarde kosten van levensonderhoud.

Gelet op het voorgaande zal een bedrag van € 2.527,50 worden toegewezen en zal het verzoek voor het overige worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF