Hof veroordeelt de voormalig voorzitter van een stichting wegens verduistering van het archief en de financiële administratie van de stichting

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:107

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 500 subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 7.000, en daarbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr zal opleggen.

De verdachte heeft onder meer de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging en vrijspraak bepleit.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de verdachte is niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van een lichtzinnig uitgebrachte dagvaarding.

Het hof overweegt als volgt. In art. 167, eerste lid, Sv is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een uitzonderlijk geval zoals hiervoor omschreven. Verdachte is door de politie gehoord, maar weigerde in te gaan op de in de aangifte gedane aantijgingen,- die werden ondersteund door tal van bijlagen en het proces-verbaal van verhoor van oud-secretaris naam 1. Vervolgens is het politiedossier gesloten en ter beoordeling aan de officier van justitie voorgelegd. Die heeft bij die stand van zaken besloten de verdachte te dagvaarden. De beslissing daartoe over te gaan is naar het oordeel van het hof niet als lichtzinnig genomen aan te merken en ook overigens is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Het hof verwerpt het verweer en acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging.

Vrijspraak

Door verdachte is vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij niet als heer en meester over de administratie van stichting is gaan beschikken, maar dat hij die administratie niet kon teruggeven omdat zijn echtgenote de ordners met daarin de administratie abusievelijk en buiten medeweten van verdachte bij het oud papier heeft gezet.

Het hof overweegt als volgt.

Op 10 maart 2014 heeft verdachte, tot omstreeks april 2014 voorzitter van stichting, bij naam 1, de vroegere secretaris van stichting, 22 ordners met archiefmateriaal opgehaald. Verdachte was op dat moment zelf voorzitter van de stichting en was tussen 2008 en 2012 penningmeester geweest. In de functie van penningmeester heeft verdachte de financiële administratie van de stichting voorhanden gekregen, waaronder bonnen en bankafschriften. Na het vertrek van verdachte als voorzitter van de stichting, is, onder andere in een e-mailbericht d.d. 22 april 2014 van naam 2, penningmeester van stichting, aan verdachte verzocht om de secretariële administratie en de financiële administratie over de tijd dat hij penningmeester was van de stichting over te dragen. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de stukken en ordners die hij thuis had in verband met zijn functie als penningmeester (de financiële administratie dus), bij hem thuis zijn gebleven na beëindiging van zijn penningmeesterschap en dat hij die niet heeft overgedragen aan bestuursleden van de stichting.

Als verklaring voor het niet aan het bestuur verstrekken van het archief en de financiële administratie van de stichting heeft verdachte opgegeven dat deze stukken door zijn echtgenote abusievelijk vanuit de achterbak van zijn auto bij het oud papier zijn gezet. Deze verklaring heeft verdachte, nadat hij daartoe eerder bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie de kans heeft gehad, pas voor het eerst gegeven in het bezwaarschrift dat hij heeft ingediend tegen de dagvaarding. Dat tot de bij het oud papier gezette stukken ook de financiële administratie hoorde die hij uit hoofde van zijn eerdere penningmeesterschap onder zich had, heeft verdachte pas voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep verklaard.

Het hof acht de door de verdachte gegeven verklaring onaannemelijk. Verdachte heeft zich in dit verhoor van de domme gehouden en in strijd met de waarheid verklaard dat hij niets wist van mailtjes (van het bestuur met het verzoek het archief terug te geven), terwijl verdachte op voormelde mail van naam 2 van 22 april 2014 op diezelfde dag nog heeft geantwoord. Verdachte is door het bestuur van de stichting herhaaldelijk gevraagd om het verstrekken van het archief en de stukken van de financiële administratie. Tegen deze personen heeft verdachte op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat de stukken niet terug gegeven konden worden door omstandigheden buiten hem om, terwijl het toch vanuit zijn verantwoordelijkheid als oud-bestuurslid zeer voor de hand had gelegen om daarvan melding te maken. Voorts valt niet in te zien waarom verdachte dan vervolgens niet reeds bij de politie heeft verklaard over de door hem aangedragen gang van zaken, die – hoewel wellicht gênant – toch onschuldig is. Daar komt bij dat het hof het zeer onwaarschijnlijk acht dat de echtgenote van verdachte ordners als deze, die archiefmateriaal bevatten en die zich op het eerste gezicht onderscheiden van het gebruikelijke oud papier en die zich volgens verdachte in de achterbak van zijn auto zouden hebben bevonden en niet op de voor verdachte en zijn echtgenote gebruikelijke plaats voor oud papier in de garage, ongevraagd en zonder enig overleg bij het oud papier heeft gezet.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Verduistering

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500. 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF