'Het gebruik van kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachten in bewijsmotiveringen'

Het uitgangspunt van het strafrechtelijke bewijsrecht is dat alleen redengevend bewijsmateriaal ten grondslag mag worden gelegd aan de bewijsbeslissing. Wanneer bepaald bewijsmateriaal geen directe of indirecte bijdrage kan leveren aan het bewijs van het ten laste gelegde feit, zal het in beginsel als niet-redengevend moeten worden aangemerkt. Dat geldt in het bijzonder wanneer een bepaalde verklaring onverenigbaar is met het in de tenlastelegging beschreven scenario. Deze zal dan geen functie mogen hebben bij de onderbouwing van de bewijsbeslissing. Ten aanzien van verklaringen van verdachten kan dit echter anders zijn. De Hoge Raad gaat ermee akkoord dat de rechter een verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig bestempelt en de leugenachtigheid vervolgens een rol laat spelen in de bewijsmotivering. Daarbij moeten wel bepaalde voorwaarden in acht worden genomen, die onder meer blijken uit NJ 2012/466, r.o. 4.2. De term ‘kennelijk leugenachtig’ impliceert ten eerste dat ander bewijsmateriaal beschikbaar is, op basis waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de verdachte een valse verklaring heeft afgelegd en ten tweede dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegdHet enkele opzet op het afleggen van een valse verklaring volstaat echter niet. De verdachte moet hebben gelogen met het specifieke doel om ‘de waarheid te bemantelen’, zoals de Hoge Raad het pleegt uit te drukken.

In dit artikel staat de vraag centraal of het, gezien de wijze waarop de leugenachtigheid aan de bewijsconstructie bijdraagt, wenselijk is om de vaststelling dat de verklaringen van een verdachte leugenachtig is, als redengevende omstandigheid te laten bijdragen aan de bewijsmotivering. Eerst zal worden beschreven wat de door de Hoge Raad gestelde voorwaarden inhouden en op welke manier feitenrechters deze toepassen.Vervolgens zal worden ingegaan op de redengevendheid van de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van een verdachte en op de mate waarop deze invloed kan uitoefenen op de bewijsbeslissing. Ten slotte zal de onderzoeksvraag worden beantwoord.

Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op Delikt en Delinkwent.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF