AFM, schending ne bis in idem-beginsel?

College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 juni 2012, LJN BW9888

In mei 2009 heeft de AFM bij B B.V., een bij A aangesloten onderneming, onderzoek verricht naar de advisering en bemiddeling van kredietbeschermingsverzekeringen op basis van een koopsom, waarbij de koopsom wordt meegefinancierd met een consumptief krediet. Dit heeft geresulteerd in het onderzoeksrapport “Advisering kredietbeschermingsverzekeringen”. In dit rapport heeft AFM geconcludeerd dat B in negentien dossiers waarin zij cliënten adviseerde over kredietbeschermingsverzekeringen art. 4:23, eerste lid, aanhef en onder a en b, Wft niet heeft nageleefd.

Naar aanleiding hiervan heeft de AFM bij besluit aan A een bestuurlijke boete van € 6.000 opgelegd. Tegen dit besluit heeft A geen rechtsmiddelen ingesteld.

In de periode van 29 juli 2009 tot en met 16 oktober 2009 heeft de AFM bij B onderzoek verricht naar borging van de vakbekwaamheid. Dit heeft geresulteerd in het onderzoeksrapport “Vakbekwaamheid”, waarin AFM heeft geconcludeerd dat A in niet heeft voldaan aan de in art. 4:9, tweede lid, Wft, in verbinding met art. 6, eerste lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, neergelegde wettelijke vereisten voor vakbekwaamheid. Naar aanleiding hiervan heeft de AFM aan A een bestuurlijke boete van € 6.000 opgelegd wegens overtreding van art. 4:9, tweede lid, Wft. Bij besluit, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de AFM het bezwaar van A tegen het besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van A gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit waarbij aan A een boete werd opgelegd herroepen.

Naar het oordeel van het College verschillen de feitelijke gedragingen naar hun aard en strekking zodanig van elkaar dat niet van “hetzelfde feit” kan worden gesproken. De omstandigheid dat beide gedragingen gedeeltelijk gelijktijdig hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat AFM de vakbekwaamheid nader heeft onderzocht naar aanleiding van haar bevindingen met betrekking tot de adviespraktijk, doen aan het vorenstaande niet af. Voorts overweegt het College dat er weliswaar een verband kan bestaan tussen onvoldoende vakbekwaamheid en het onvoldoende inwinnen van cliëntspecifieke informatie, maar dit verband is niet zodanig dat geoordeeld dient te worden dat sprake is van dezelfde gedraging.

Het vorenstaande leidt het College tot het oordeel dat, reeds de feitelijke gedragingen in aanmerking genomen, de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat in het onderhavige geval het ne bis in idem-beginsel eraan in de weg staat dat AFM aan A een boete wegens overtreding van art. 4:9, tweede lid, Wft oplegt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

Het College verwijst de zaak met toepassing van art. 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie terug naar de rechtbank.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF