Gevangenisstraf voor de feitelijke leidinggever aan PGB-fraude. Strafverzwarende factor is dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek.

Rechtbank Den Haag 22 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11342 De verdachte wordt primair verweten dat hij zich gedurende een periode van ongeveer vijf en een half jaar, al dan niet samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leiding geven aan het vervalsen van geschriften met betrekking tot Persoons Gebonden Budgetten (PGB) door stichting en het afleveren van deze valse geschriften bij het betrokken zorgkantoor. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het plegen van deze strafbare handelingen door de verdachte, al dan niet samen met anderen.

Aanleiding

Op 23 juli 2012 werd door de afdeling fraudebeheersing van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) een melding gemaakt aan de Nederlandse Zorg Autoriteit (NzA) inzake fraude op het gebied van PGB. Uit de melding kwam naar voren dat Zorgkantoor 2 melding heeft gemaakt van fraude met bankrekeningen, waardoor budgetten rechtstreeks werden uitgekeerd aan zorgverlenende instanties, zoals stichting, in plaats van aan de budgethouders. Zorgkantoor 2 heeft op 15 augustus 2012 aangifte gedaan van fraude bij de politie Rotterdam-Rijnmond ten aanzien van stichting en de verdachte. Zorgkantoor 2 kreeg na een controle een vermoeden van fraude. Uit onderzoek was gebleken dat een kopie van een bankafschrift weliswaar op naam stond van de budgethouder, maar dat het IBAN nummer niet hoorde bij het vermelde rekeningnummer. Dit rekeningnummer bleek te staan op naam van zoon van verdachte (wonende te Emmen), de zoon van de verdachte. Uit financieel onderzoek is gebleken dat de bedragen van de rekening van de zoon van de verdachte, vrijwel direct na storting door Zorgkantoor 2 werden overgeboekt naar een rekening die op naam stond van stichting.

De aangifte heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek en hieruit bleek dat stichting jarenlang PGB budgetten heeft aangevraagd en ontvangen, waarbij sommige PGB budgethouders niet eens wisten dat er op hun naam PGB was aangevraagd en toegekend.

Door stichting is in de periode van 1 januari 2008 tot en met 2 juli 2013 te ‘s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland onder andere PGB aangevraagd en ontvangen voor de tenlastegelegde personen naam budgethouder2, naam zorgvrager, naam budgethouder3, naam budgethouder4, naam budgethouder5, budgethouder7 en naam budgethouder6.

Valse geschriften

Tijdens het onderzoek naar stichting is er bij de desbetreffende zorgkantoren (de instanties die PGB rechtstreeks dienen uit te keren aan de budgethouders) administratie met betrekking tot de zeven budgethouders opgevraagd. Op (PGB)verantwoordingsformulieren, PGB overeenkomsten, een verkort aanvraagformulier, zorgovereenkomsten, wijzigingsformulieren, (kopieën van) bankafschriften, werkbriefjes, een declaratieformulier, een factuur en een brief stonden onjuiste gegevens. De desbetreffende documenten zijn aan de budgethouders getoond. Hieruit blijkt dat er op verschillende documenten handtekeningen stonden die afkomstig leken te zijn van de daarop vermelde budgethouders, maar waarvan zij hebben verklaard dat zij die documenten niet hebben ondertekend.

Op verantwoordingsformulieren voor verleende zorg stond een hoger ‘betaald bedrag’, ‘uitbetaald bedrag’, ‘totale kosten’ en ‘totaalbedrag van dit verantwoordingsformulier’ vermeld en aangekruist, terwijl in werkelijkheid deze bedragen lager hadden moeten zijn in verband met geen en/of minder aan die budgethouder verleende zorg.

Op overeenkomsten PGB stonden functies en bankrekeningnummers ‘voor PGB’ vermeld, terwijl in werkelijkheid deze vermelde functies niet door de desbetreffende budgethouder gewenst was, niet of minder bij de budgethouder uitgevoerd zou gaan worden en het vermelde bankrekeningnummer niet het bankrekeningnummer van de budgethouder betrof.

Daarnaast vermeldden het verkort aanvraagformulier Zorg en de zorgovereenkomsten werktijden, gewenste functies, werkzaamheden en werkafspraken die niet tussen de budgethouder en zorgverlener waren overeengekomen en/of gemaakt.

Op wijzigingsformulieren stond een onjuist contactpersoon en bankrekeningnummer geschreven en op kopieën van bankrekeningafschriften stonden onjuiste bedragen, namen en IBAN nummers vermeld.

Op werkbriefjes en declaratieformulieren stond ten onrechte (een aantal uren) aan een cliënt geleverde zorg door een medewerker vermeld, terwijl in werkelijkheid geen of minder zorg door die medewerker aan die cliënt is geleverd.

Ten slotte was op de factuur een omschrijving (van het type zorg), het aantal uren, het tarief en een te betalen bedrag vermeld, terwijl in werkelijkheid in de aangegeven periode geen of minder zorg is verleend.

Gelet op de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de documenten met betrekking tot het PGB budget van de desbetreffende personen valselijk zijn opgemaakt. Hierdoor zijn door stichting te hoge en onterechte PGB budgetten verkregen die ook niet aan stichting rechtstreeks uitgekeerd hadden mogen worden. De valse documenten zijn naar de zorgkantoren gestuurd en door Zorgkantoor 2 en Zorgkantoor 1 werden vervolgens de PGB budgetten uitgekeerd. Die werden niet alleen rechtstreeks betaald op de bankrekening van stichting, maar ook op de bankrekening van de zoon van de verdachte. De desbetreffende budgethouders hebben zo nooit zelf over hun eigen PGB budget kunnen beschikken.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het valselijk opmaken van de bovengenoemde documenten aan de stichting kan worden toegerekend en, zo ja, of de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van die geschriften.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode slechts als adviseur was betrokken bij stichting en de verdachte derhalve van het tenlastegelegde feitelijke leidinggeven dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling van de Rechtbank

Kunnen de gedragingen aan de rechtspersonen worden toegerekend?

De rechtbank stelt voorop dat het bij de beantwoording van deze vraag veelal gaat om gedragingen van een fysieke dader die (vervolgens) worden toegerekend aan een rechtspersoon als functionele dader.

Voor de beantwoording van de vraag of een gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, is het van belang vast te stellen of deze gedragingen zijn verricht ‘in de sfeer van’ die rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon is sprake als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

In het uittreksel van de Kamer van Koophandel staat bij stichting als activiteiten vermeld ‘de lichamelijke en geestelijke verzorging en verpleging in de thuissituatie van met name oudere patiënten’. Deze verzorging en verpleging dient te worden betaald uit de PGB budgetten. De aanvraag en het beheer van deze budgetten behoren tot de bedrijfsvoering van stichting. De verweten strafbare feiten, het valselijk opmaken van documenten, hebben er toe geleid dat onterecht (te hoge) PGB budgetten zijn verkregen. Dit is gepleegd door personen (waaronder de verdachte) die uit naam van stichting handelden. Nu de gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering van stichting en gepleegd zijn door personen die werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon, kunnen deze gedragingen aan Medicare worden toegerekend.

Heeft de verdachte feitelijk leiding gegeven aan de strafbare gedragingen?

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van de aan de verdachte primair ten laste gelegde feiten vereist is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen.

De verdachte was tot 10 november 2009 formeel bestuurder van stichting. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de stichting heeft opgericht en tevens met zijn eigen spaargeld in stand heeft gehouden, aldus de verdachte. Daarnaast heeft hij verklaard dat het zijn bedoeling was om de stichting dusdanig te laten groeien dat hij zijn geld weer terug kon verdienen. Hij had derhalve een belang bij het handelen van stichting.

Dat de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 10 november 2009 ‘op papier’ geen (directe) zeggenschap over stichting had en derhalve niet in formele zin kan worden aangemerkt als bestuurder van stichting, hoeft aan strafrechtelijke aansprakelijkheid als feitelijk leidinggever echter geenszins in de weg te staan. Relevant is immers niet zozeer hoe de zaken in een bedrijf ‘juridisch organisatorisch’ geregeld zijn, als wel of een natuurlijke persoon het - al dan niet samen met anderen - ten aanzien van bepaalde activiteiten ‘voor het zeggen’ had, of in elk geval zwaarwegende invloed had. Het komt aan op de maatschappelijke realiteit: wie treedt feitelijk op als bestuurder. Bij de beoordeling hiervan heeft de rechtbank gelet op het volgende.

Hoewel er blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel in de jaren daarna eveneens een aantal andere bestuurders van stichting waren en de verdachte sinds 2009 in bestuurlijke zin geen rol meer had bij stichting, spreken de hiervoor genoemde zeven budgethouders allen over ‘bijnaam verdachte’ (de rechtbank begrijpt: de verdachte) als de persoon die voor hen alles heeft geregeld; hij was hun contactpersoon. Op de terechtzitting heeft de verdachte bovendien op vragen van de rechtbank zelf zeer uitgebreid en gedetailleerd verklaard met betrekking tot de PGB budgetten van alle zeven in de tenlastelegging genoemde budgethouders. De overige (oud) bestuursleden hebben eveneens over de verdachte verklaard.

Zo heeft betrokkene 2 verklaard dat bijnaam verdachte de feitelijke leiding over stichting had, er elke dag was en ook echt leiding gaf, gesprekken had met klanten, contracten afsloot en de intake deed. Voorts heeft hij verklaard dat de verdachte de aanvraagformulieren invulde. Hij vroeg eerst zorg in natura (ZIN) aan. Als de mensen ZIN hadden, dan ging hij er met een leeg formulier heen om het om te zetten in PGB. Het blanco laten tekenen van formulieren deed hij vaker. Hij zorgde er ook voor dat de post rechtstreeks bij hem binnenkwam. bijnaam verdachte had de hele bedrijfsvoering in handen. Hij ging naar een klant en kwam terug met een getekend blanco formulier, aldus betrokkene 2.

Betrokkene 3 heeft eveneens verklaard dat de bijnaam verdachte de feitelijke leidinggevende van stichting was. Zij heeft voorts verklaard dat iedereen hem zag als directeur. Hij vroeg de indicaties aan, deed het medische gedeelte, ging naar de cliënten, deed de betalingen en nam het personeel aan, zo heeft zij verklaard.

Ten slotte heeft ook betrokkene 5 verklaard dat bijnaam verdachte de feitelijke leidinggevende van stichting was. Hij beheerde de bankrekeningen en deed de PGB administratie. Hij beheerde de werkbrieven van de zorgverleners en hij administreerde dit. Ook stuurde hij facturen naar de PGB cliënten nam hij personeel aan, aldus betrokkene 5.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte pas achteraf van de verboden gedragingen op de hoogte was. In het licht van de hierboven beschreven verklaringen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte, acht de rechtbank dit niet aannemelijk. Dat ‘ betrokkene 4 ’ verantwoordelijk zou zijn geweest, zoals eveneens door de verdediging is betoogd, kan niet worden getoetst door de rechtbank, nu hij niet is gehoord. Echter, deze stelling vindt bovendien geen steun in het dossier. Zo heeft betrokkene 3 verklaard dat de naam betrokkene 4 haar niets zegt en heeft betrokkene 6 ten aanzien van betrokkene 4 verklaard dat zij weet dat ‘ betrokkene 4 al jaren niet meer in Nederland is’.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat uit de concrete verklaringen van de (voormalige) bestuursleden, die voldoende worden ondersteund door de verklaringen van de budgethouders en de verklaringen van de verdachte zelf, volgt dat niet betrokkene 4 maar de verdachte verantwoordelijk is geweest voor het handelen van stichting.

Conclusie

Uit het voorgaande kan worden afgeleid, dat de feitelijke positie van de verdachte binnen stichting van dien aard was dat hij in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als feitelijk leidinggevende van die rechtspersoon. Dat betekent dat hij als feitelijk leidinggever voor de door deze rechtspersoon gepleegde strafbare feiten verantwoordelijk te houden is. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en

Feitelijke leiding geven aan opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De verdachte heeft gedurende een periode van ruim vijf jaren opzettelijk geschriften vervalst waardoor onterecht (te hoge) PGB budgetten zijn uitgekeerd op rekeningen die niet toebehoorden aan budgethouders. Hierdoor hebben de desbetreffende budgethouders nooit zelf over hun eigen PGB budget kunnen beschikken en is in een aantal gevallen geen of minder zorg verleend dan waar zij recht op hadden.

Als strafverzwarende factoren betrekt zij daarbij nog de lange duur van de fraude, het niet uit eigen beweging beëindigen daarvan, het totale voordeel dat verdachte hierdoor heeft verkregen, het feit dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat hij het ontstane nadeel niet ongedaan heeft gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF