Gegrondverklaring verzoek tot herziening in de zaak Vidgen

Hoge Raad 4 juni 2013, LJN CA1782

De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Utrecht van 5 september 2003 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de aanvrager ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en negen maanden. De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juni 2006, LJN AV1633, NJ 2006/332, de duur van de opgelegde gevangenisstraf verminderd in die zin dat deze vier jaren en drie maanden beloopt, met verwerping van het beroep voor het overige.

Aanvraag tot herziening

Het gaat in deze zaak om het volgende. Ten laste van verdachte is door het Hof bewezen verklaard dat hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 4 december 2001 te Heerlen en/of elders in Nederland en te Eschweiler tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 104 kilogram van een materiaal bevattende MDMA, zogenaamde XTC-tabletten. Verdachte heeft met het oog op de import in Australië van motoronderdelen aldaar een onderneming opgericht en was betrokken bij een eerste zending naar Australië van een container met kratten met daarin motorblokken. In Duitsland, te Eschweiler, werden op een bedrijfsterrein de motorblokken met daarin de 104 kilogram XTC-tabletten onderschept en in beslag genomen. Verdachte heeft altijd ontkend te hebben geweten dat het ging om de uitvoer uit Nederland van XTC-tabletten. Vier van de eenentwintig door het Hof gebezigde bewijsmiddelen maken melding van aanvrager en van die vier bewijsmiddelen zijn er slechts twee (nrs. 16 en 17) die duiden op de wetenschap van aanvrager van de XTC in de motorblokken, en aldus op opzet. Dat zijn de twee door medeverdachte medeverdachte 1 bij de Duitse politie afgelegde verklaringen. Medeverdachte 1 heeft verklaard dat het de bedoeling was dat de XTC-tabletten in Duitsland in de motorblokken zouden worden verstopt voor de export naar Australië en dat aanvrager ("de zoon van Opa") daarvan wist; alleen de hoeveelheid wist hij niet. De vader van aanvrager ("Opa") had het adres waar de tabletten moeten worden afgeleverd en aanvrager wist waar hij de spullen dan moest afhalen. Opa en zijn zoon werken samen, aldus medeverdachte 1. Medeverdachte 1 is in Duitsland voor onder meer zijn betrokkenheid bij dit feit veroordeeld.

De belastende verklaringen van medeverdachte 1 zijn door de verdediging betwist en verzocht is hem in hoger beroep als getuige te horen. Nadat het gelukt was medeverdachte 1 vanuit zijn Duitse detentie in Nederland te krijgen(3), heeft hij in de strafzaak tegen aanvrager ter terechtzitting in hoger beroep op 6 augustus 2004 geweigerd vragen te beantwoorden en zich op zijn verschoningsrecht beroepen: er was een uitlevering ophanden in verband met zijn vervolging in Nederland ter zake van deelneming aan een criminele organisatie.

De Hoge Raad heeft de bewijsvoering van het Hof ten laste van aanvrager in stand gelaten en daartoe vastgehouden aan de sinds HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 gehanteerde lijn dat de enkele omstandigheid dat een getuige weigert een verklaring af te leggen niet meebrengt dat sprake is van een inbreuk op het ondervragingsrecht van art. 6 lid 3 onder d EVRM.

Het arrest van het ERHM van 10 juli 2012 is gewezen naar aanleiding van een klacht van aanvrager, door hem ingediend nadat de Hoge Raad het cassatieberoep tegen het arrest waarvan herziening wordt gevraagd met vermindering van de strafoplegging had verworpen. Geklaagd werd dat de veroordeling geheel of in beslissende mate is gebaseerd op de belastende verklaringen van getuige medeverdachte 1, die niet door de verdediging effectief ondervraagd kon worden.

Het EHRM heeft geoordeeld dat hier inderdaad sprake is van een schending van het in art. 6 leden 1 en 3 onder d EVRM vastgelegde recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht.

De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak op de voet van art. 471 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, vernietigt de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd en beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof en verwijst de zaak op de voet van art. 472, eerste lid, in verbinding met art. 471 Sv naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF