Geen sprake van “détournement de pouvoir”: Onderzoek aan verdachte’s kleding en de doorzoeking van de auto rechtmatig

Gerechtshof Den Haag 25 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2857

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de doorzoeking van de auto waarin de verdachte en de medeverdachte zaten onrechtmatig is geweest. Er is sprake geweest van “détournement de pouvoir”, aldus de raadsman. De in die auto aangetroffen wapens en munitie, dienen dan ook van het bewijs uitgesloten te worden. De verbalisanten die de verdachte en de medeverdachte aanspraken wilden de auto waarin zij zaten doorzoeken en zochten naar een middel om die doorzoeking te rechtvaardigen, aldus de raadsman. De omstandigheid dat de verdachte een gebroken identiteitskaart aan een van de verbalisanten toonde, kon die doorzoeking en de daaraan voorafgaande fouillering van de verdachte, waarbij een zakje wiet werd aangetroffen, echter niet rechtvaardigen omdat aan de hand van die gebroken identiteitskaart verdachte’s identiteit kon worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van het door de verbalisanten A, B en C ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen stelt het hof vast dat genoemde verbalisanten van personeel van de Regionale meldkamer eenheid Rotterdam op 2 september 2013 de opdracht hadden gekregen te gaan naar de xlaan te Rotterdam, alwaar een personenauto van het merk Audi, type A4, kleur blauw, voorzien van het kenteken X zich verdacht zou ophouden. Volgens de melding die de verbalisanten hadden gekregen, was voornoemd voertuig en de inzittenden betrokken bij een verdachte situatie waarbij zij aandacht hadden voor hun omgeving. Het was de verbalisanten bekend dat er in het betreffende deel van de stad veel inbraken werden gepleegd.

Ter plaatse aangekomen zagen de verbalisanten dat er twee personen in het voertuig zaten. De ene persoon, naar later bleek de medeverdachte, zat als bestuurder in het voertuig. De andere persoon, naar later bleek de verdachte, zat als bijrijder in het voertuig.

Verbalisant B zag op de grond van het voertuig, bij de voeten van de bijrijder een bruin gekleurde panty liggen.

Verbalisant A zag op de grond, van het voertuig, bij de voeten van de bestuurder, een zwart gekleurde zaklamp liggen.

Verbalisant A, kreeg van de persoon die op de bijrijdersstoel zat – de verdachte - een Nederlandse identiteitskaart in handen. A zag dat deze identiteitskaart op diverse plaatsen gebroken was en door middel van plakband aan elkaar geplakt was. A constateerde dat de identiteitskaart van verdachte niet voldeed aan de eisen van een geldig legitimatiebewijs waarop verdachte desgevorderd uit de auto stapte.

Daarop heeft verbalisant A de verdachte aan een fouillering onderworpen met het doel een geldig legitimatiebewijs in handen te krijgen.

Bij gelegenheid van deze fouillering trof de verbalisant in de rechterzak van de spijkerbroek van de verdachte een doorschijnend gripzakje met wiet aan.

Gezien voornoemde bevindingen hebben de verbalisanten een doorzoeking van het voertuig verricht op grond van artikel 55b lid 1 Wetboek van Strafvordering en de Opiumwet teneinde een geldig legitimatiebewijs van verdachte in handen te krijgen en om het voertuig te controleren op de aanwezigheid van meer verdovende middelen.

Bij gelegenheid van de verrichte doorzoeking werd achter de bijrijdersstoel een rugzak aangetroffen met daarin het in de tenlastelegging genoemde gasdrukpistool. Achter de bestuurdersstoel werd een rugzak aangetroffen met daarin de in de tenlastelegging genoemde revolver met daarbij behorende munitie.

De bij de voeten van de bestuurder aangetroffen zwart gekleurde zaklamp bleek het in de tenlastelegging genoemde stroomstootwapen te zijn.

Conclusie

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de verdachte (desgevorderd) niet een geldig identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 juncto 2 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden aan verbalisant A. Gegeven de meerbedoelde melding was de verbalisant bevoegd aanbieding van een geldig identiteitsbewijs te vorderen. Zulks was naar het oordeel van het hof redelijkerwijs noodzakelijk voor de uitvoering van de politietaak.

Vervolgens is rechtmatig toepassing gegeven aan de de verbalisanten op grond van artikel 55b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toekomende bevoegdheid de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede de auto waarin de verdachte als bijzitter was gezeten te onderzoeken, nu zulks noodzakelijk was voor de vaststelling van zijn, verdachte’s, identiteit.

Daarnaast, zo stelt het hof vast, hadden de verbalisanten gegeven het aantreffen van een zakje met wiet in de broekzak van de verdachte ook op grond van artikel 9 van de Opiumwet, toegang tot meergenoemde auto.

Slotsom is dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van “détournement de pouvoir” en het onderzoek aan verdachte’s kleding en de doorzoeking van de auto rechtmatig is geweest.

Het hof verwerpt het verweer.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF