Fruitteler uit Hooghalen wordt vrijgesproken van het opzettelijk vals opmaken van zijn bedrijfsadministratie of loonstroken van zijn Portugese seizoenarbeiders

Rechtbank Overijssel 4 april 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1117 De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 mei 2012 tot en met 1 september 2012 samen met anderen zowel een aantal loonstroken/ loonspecificaties als de bedrijfsadministratie van de vennootschap onder firma bedrijf 1 valselijk heeft opgemaakt, dan wel dat hij als feitelijk leidinggevende van voornoemd bedrijf deze feiten heeft gepleegd.

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vervolging omdat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Volgens de raadsman heeft de officier van justitie niet conform de Richtlijnen aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten (Richtlijnen AAFD) gehandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het nadeel is berekend op € 17.000. Volgens de Richtlijnen AAFD mag er echter pas vervolgd worden indien het nadeel € 125.000 of hoger is. Nu het nadeel (ver) onder het bedrag van € 125.000 is gebleven moet de zaak bestuursrechtelijk worden afgedaan.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat voornoemd beginsel is geschonden omdat in hetzelfde onderzoek een ander bedrijf niet is vervolgd voor precies dezelfde feiten.

De rechtbank overweegt dat de Richtlijnen AAFD beschrijven hoe de Belastingdienst de aanmeldingen van mogelijke delicten die voor strafrechtelijk onderzoek in aanmerking komen selecteert voor de rechtsgebieden belastingen, toeslagen en douane en op welke wijze die aanmeldingen vervolgens in overleg met het Openbaar Ministerie worden afgehandeld met het oog op strafrechtelijke afdoening.

De Richtlijnen AAFD hebben dus alleen betrekking op fiscale, toeslag- en douanedelicten.

In deze zaak is echter geen fiscaal, toeslag- of douanedelict tenlastegelegd, maar een commuun delict.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Richtlijnen AAFD niet van toepassing zijn en dat er geen sprake is van schending het gelijkheidsbeginsel.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de raadsman zijn stelling dat een ander bedrijf voor dezelfde feiten niet is vervolgd onvoldoende heeft onderbouwd met gespecificeerde objectieve gegevens, zodat ook dit verweer wordt verworpen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft op basis van de zich in het onderliggende strafdossier bevindende stukken geconcludeerd dat het primair tenlastegelegde feit bewezen is.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad op het feit. Verdachte heeft immers zijn loonadministratie uitbesteed en daarbij telkens alle daadwerkelijk gewerkte uren per week vermeld. Verder heeft de raadsman gesteld dat verdachte conform de zogenaamde “cafetariaregeling” (een regeling tussen LTO Nederland en de Belastingdienst) heeft gehandeld en dat hij ook om die reden moet worden vrijgesproken.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Algemeen

Verdachte exploiteert samen met zijn echtgenote een zachtfruitbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma (VOF). De VOF is op 15 januari 1995 opgericht en gevestigd in Hooghalen. Verdachte en zijn echtgenote zijn beiden vennoot. De dagelijkse leiding van de onderneming berust bij verdachte.

In het jaar 2012 heeft verdachte gedurende de weken 21 tot en met 35 een aantal Portugese werkneemsters in dienst gehad, die zich hoofdzakelijk bezig hebben gehouden met het plukken van aardbeien. De betreffende werkneemsters hielden de door hen gewerkte uren zelf bij in agenda’s, urenschriftjes en urenbriefjes. De gewerkte uren zijn door verdachte overgenomen in individuele overzichten over 2012, waarin per werkneemster naast de gewerkte uren ook de uitbetaalde voorschotten werden bijgehouden.

Verdachte heeft de overzichten van de daadwerkelijk gewerkte uren en dagen van de Portugese werkneemsters aangeleverd bij zijn boekhouder 1, teneinde de salarisspecificaties op te maken. De boekhouder heeft deze gegevens op zijn beurt weer overgedragen aan boekhouder 2, die de salarisspecificaties uiteindelijk heeft opgemaakt.

Op de aangetroffen salarisspecificaties stonden onder meer de uren vermeld die de Portugese werkneemsters in de desbetreffende maand van 2012 hebben gewerkt. De vermelde uren wijken echter af van de feitelijk door de Portugese werkneemsters gewerkte uren. Over het boekjaar 2012 zijn in totaal 4.174 uren verantwoord, terwijl het aantal uren dat de Portugese werkneemsters feitelijk hebben gewerkt 5.824 bedraagt. De salarisspecificaties van de Portugese werkneemsters over 2012 zijn derhalve onjuist opgemaakt.

Met betrekking tot de aanwezigheid van opzet bij verdachte

De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte opzet heeft gehad op het onjuist opmaken van de salarisspecificaties. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft zijn loonadministratie uitbesteed en daarbij telkens alle daadwerkelijk door zijn Portugese werkneemsters gewerkte uren doorgegeven.

boekhouder 2, die de salarisspecificaties heeft opgemaakt, heeft verklaard dat hij over het opmaken van die specificaties contact heeft gehad met verdachte. Die heeft hem gezegd dat hij moest informeren bij de heer naam 10, want die wist hoe de specificaties in de afgelopen jaren waren opgemaakt. Genoemde naam 10 heeft boekhouder 2 vervolgens tekst en uitleg gegeven over de werkwijze bij het verwerken van de loongegevens zoals die in de afgelopen jaren is gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte van de onjuistheid van de opgestelde loonspecificaties op de hoogte was. De rechtbank acht derhalve niet bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk valse loonstroken dan wel een valse bedrijfsadministratie heeft opgemaakt.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het dossier evenmin voldoende bewijs bevat dat de VOF bedrijf 1 deze feiten, al dan niet samen met anderen, opzettelijk heeft gepleegd. Daardoor kan van feitelijk leidinggeven aan deze feiten door verdachte ook geen sprake zijn.

De rechtbank merkt in dit verband op dat ook voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen. Hoewel de loonspecificaties in opdracht van verdachte (als feitelijk leidinggever van de VOF bedrijf 1 ) zijn opgemaakt, bevat het dossier onvoldoende feiten en/of omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de loonspecificaties niet correct waren.

De rechtbank zal verdachte derhalve van het tenlastegelegde vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

 

Print Friendly and PDF