Fikse straf voor oplichting, flessentrekkerij en valsheid in geschrift

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 april 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:2561

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan verschillende oplichtingsfeiten en flessentrekkerij en daarnaast ook aan valsheid in geschrift. Allereerst heeft hij zich voorgedaan als een bonafide gast van twee verschillende hotels en daar gedurende een aantal maanden zonder te betalen verbleven. Bij een autobedrijf heeft hij een dure personenauto besteld en hij heeft een koopovereenkomst voor een woning ondertekend. Dit alles onder het voorwendsel dat hij de daarvoor overeengekomen bedragen kon betalen, terwijl hij wist dat hij niet de beschikking had over enig geldbedrag om deze goederen en/of diensten te betalen. Immers, ondanks zijn beweerde, reeds lang gekoesterde veronderstelling dat hij een aanzienlijk geldbedrag tegemoet kon zien, had verdachte tot op dat moment nog niets daarvan ontvangen. 
 

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte telkens de intentie heeft gehad om te betalen. Verdachte heeft verklaard dat hij een substantieel geldbedrag tegoed heeft en dat hij er alles aan heeft gedaan om dit ter beschikking te krijgen zodat hij aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen, maar dat dit niet is gelukt. Met betrekking tot feit 2 en 4 heeft de verdediging aangevoerd dat het niet reëel is te achten dat verdachte uit was op geldelijk gewin, nu algemeen bekend is dat een woning en een personenauto pas worden geleverd als de koopsom geheel is betaald.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Aangeefster aangever 1 heeft verklaard dat verdachte samen met zijn echtgenote in de periode van 23 augustus 2013 tot en met 9 mei 2014 in hotel bedrijf 2, gevestigd aan het adres, heeft verbleven en aldaar heeft gegeten en gedronken. Eind 2013 heeft aangeefster een gesprek gehad met verdachte waarin zij hem heeft verzocht de rekening te betalen. Hij vertelde dat hij zijn woning in België had verkocht, maar dat hij nog niet aan het geld kon. Als bewijs voor zijn kredietwaardigheid liet hij bankafschriften zien met daarop zijn naam. Hij beloofde van alles, maar heeft de rekening van €19.753,00 uiteindelijk niet betaald. Op 9 mei 2014 heeft zij tegen verdachte en zijn echtgenote gezegd dat zij de kamer moesten vrijmaken.

Aansluitend hebben verdachte en zijn echtgenote op 9 mei 2014 een kamer geboekt in hotel bedrijf 1, gevestigd aan de adres, waar zij hebben verbleven tot 12 juni 2014. Ook hier hebben zij gegeten en gedronken. Bij het inchecken werd aangegeven dat men voor enkele dagen wilde blijven omdat men aan het verhuizen was. Het tekenen van het koopcontract zou die week gebeuren. Aangever 2 heeft verklaard dat verdachte een deel van de rekening heeft betaald en dat verdachte hem heeft verzekerd dat het resterende bedrag ook betaald zou worden. Door die betaling had aangever het gevoel dat de rekeningen betaald zouden worden. Aangever heeft verdachte tijdens zijn verblijf diverse keren gevraagd de openstaande rekeningen te betalen en verdachte gaf dan telkens aan dat hij het bedrag zou overmaken op de rekening van het hotel. Omdat aangever het op 12 juni 2014 genoeg vond heeft hij het pasje van de hotelkamer geblokkeerd. Bij het uitchecken deelde verdachte wederom mee dat hij de rekening via de bank zou betalen, maar dat is niet gebeurd.

Feit 2

Aangever 3 heeft verklaard dat verdachte op 26 oktober 2013 in de showroom van bedrijf 3 te Bergen op Zoom kwam om zijn handtekening onder het koopcontract van een door hem bestelde Mercedes Benz te zetten.3 Uit de door verdachte ondertekende koopovereenkomst blijkt dat het gaat om een Mercedes Benz van het type E350 BlueTEC 4MATIC.4 Hij liet een garantie van een Spaanse bank zien waarin werd bevestigd dat hij 24.500.000 Amerikaanse dollars op zijn rekening zou hebben. Verdachte heeft ook geprobeerd de voor hem bestelde personenauto mee te nemen zonder betaling. Aangever aangever 3 heeft de voor verdachte bestelde auto op 16 april 2014 geannuleerd.

Ongeveer een week na de bestelling verzocht verdachte aangever om een huurauto. De overeengekomen huur betrof maandelijks €1.088,00. Verdachte stopte op een gegeven moment met het betalen daarvan. Hij heeft in totaal €3.000,00 betaald. Op 19 februari 2014 is verdachte in gebreke gesteld middels een brief en op 17 april 2014 is de huurauto terug gehaald. Uit de correspondentie in het dossier begrijpt de rechtbank dat de auto werd gehuurd bij bedrijf 4 te Roosendaal.

Bewijsoverwegingen

Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde handelingen op zich niet ontkend. Hij heeft verklaard dat hij samen met zijn echtgenote gedurende zeven maanden in hotel bedrijf 2 heeft verbleven en vervolgens in hotel bedrijf 1 en dat hij de rekeningen niet (geheel) heeft betaald. Ook heeft hij bij autobedrijf bedrijf 3 een personenauto gehuurd en slechts een deel van de huur betaald. Verder heeft hij bij dit autobedrijf een Mercedes besteld, terwijl hij deze auto uiteindelijk niet heeft afgenomen.9 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geld tegoed heeft in verband met een goudproject waar hij vijftien jaar geleden in Ghana aan heeft deelgenomen. Hij verkeerde bij het afnemen van de diensten en het overeenkomen van de aankoop van de personenauto in de veronderstelling dat het geld onderweg was en dat hij dit tijdig zou ontvangen om deze te kunnen betalen. Hij heeft er, hoewel het onwaarschijnlijk lijkt, na al die jaren nog steeds goede hoop op dat het geldbedrag alsnog zal worden overgemaakt.

De rechtbank stelt ten aanzien van feit 1 vast dat verdachte zich telkens als bonafide gast heeft voorgedaan, door samen met zijn echtgenote een kamer te boeken en etenswaren en consumpties te bestellen en te consumeren. Hij heeft daartoe aan de eigenaresse van hotel bedrijf 2 een bankafschrift laten zien waaruit zijn kredietwaardigheid zou blijken. Vervolgens heeft hij telkens de rekening niet betaald, ondanks meerdere verzoeken daartoe. Hij heeft als reden daarvoor gegeven dat hij geld tegoed had, maar dat dit nog niet beschikbaar was, hetgeen verdachte - zo leidt de rechtbank af uit zijn verklaring - ook wist op het moment dat hij de verleende diensten afnam. Toen hij vanwege zijn wanbetaling hotel bedrijf 2 moest verlaten, is hij samen met zijn echtgenote nog diezelfde dag naar hotel bedrijf 1 gegaan. Bij hotel bedrijf 1 heeft hij gezegd dat hij aan het verhuizen was en dat het tekenen van het koopcontract diezelfde week zou gebeuren. In combinatie met het doen van een betaling heeft hij daarmee bij dit hotel het vertrouwen gewekt dat rekeningen betaald zouden worden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de verrichte handelingen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij zowel bij hotel bedrijf 2 als hotel bedrijf 1 het oogmerk had om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Het feit dat verdachte stelt dat hij verwachtte dat het geld ieder moment gestort kon worden, maakt dit niet anders, nu verdachte die verwachting kennelijk al reeds langere tijd had en het geld telkens niet werd bijgeschreven. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als regulier betalende klant en aldus op bedrieglijke wijze gebruik heeft gemaakt van het algemeen aanvaarde gebruik in de hotelbranche dat het gebruikmaken van logies en het nuttigen van etenswaren en consumpties niet vooraf betaald hoeft te worden, door deze nadien niet te betalen. De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde oplichtingen wettig en overtuigend bewezen. Zij ziet in het dossier onvoldoende bewijs voor het medeplegen door zijn echtgenote, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 2 is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich als bonafide klant heeft voorgedaan door een personenauto van een ton te bestellen en voor langere tijd een personenauto te huren. Hij heeft daarbij een bankafschrift van een Spaanse bank laten zien waaruit zou blijken dat hij over voldoende middelen zou beschikken. Vervolgens heeft hij de voor hem bestelde auto niet afgenomen en de huur slechts gedeeltelijk betaald, omdat hij geen geld had. Ook op het moment dat verdachte deze auto bestelde en de auto huurde wist hij dat hij niet over voldoende geld beschikte om dit te kunnen betalen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als regulier betalende klant en aldus op bedrieglijke wijze gebruik heeft gemaakt van het algemeen aanvaarde gebruik in de autobranche dat auto’s/de huur niet vooraf betaald hoeven te worden, door de auto uiteindelijk niet af te nemen en de huur niet (geheel) te betalen. Met betrekking tot de aanschaf van de auto is het bij een poging gebleven nu de autohandelaar de bestelde auto heeft geannuleerd. De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, ook de onder 2 primair cumulatief ten laste gelegde oplichting en poging tot oplichting wettig en overtuigend bewezen. Zij ziet in het dossier onvoldoende bewijs voor het medeplegen door zijn echtgenote, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Feit 3

De verdediging heeft tijdens de terechtzitting op 29 juni 2015 twee bankafschriften op naam van verdachte, te weten een van de bank 1 en een van bank 2 - eBanking, overgelegd waaruit zou blijken dat verdachte bij elkaar zo’n 15 miljoen dollar op rekeningen in het buitenland heeft staan. Verdachte heeft verklaard dat hij over dat geld kan beschikken en dat hij er bijna 15 jaar op heeft gewacht. Hij heeft geld naar de bank 3 laten overboeken. Volgens hem is het puur toeval dat de afschriften vlak voor de zitting zijn binnengekomen. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat de afschriften echt zijn en hij heeft deze ter zitting voorzien van zijn handtekening, waarmee hij aangaf dat beide afschriften kopieën zijn van authentieke stukken.10 Vervolgens is de behandeling van de zaak geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de door verdachte overgelegde stukken.

Uit dat nadere onderzoek is vervolgens gebleken dat het rekeningnummer op het bankafschrift van bank 2 geen geldig bankrekeningnummer is en dat verdachte niet bekend is bij de bank.11 Ook het bankafschrift van de bank 1 is vals.12

Verdachte heeft ter zitting van 13 april 2017 verklaard dat hij deze afschriften via de e-mail heeft ontvangen en dat hij er van uit is gegaan dat deze echt waren. Hoewel hij stelt dat hij een aanzienlijk geldbedrag tegoed heeft uit een goudproject in Ghana, heeft hij deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de bankafschriften zelf heeft vervalst en zal hem derhalve van het onder 3 primair ten laste gelegde vrijspreken. De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte op zijn minst had moeten vermoeden dat de bankafschriften vals waren. Het subsidiair ten laste gelegde kan wel wettig en overtuigend bewezen worden.

Feit 4

Aangever 4 heeft verklaard dat verdachte en zijn echtgenote op 13 februari 2015 hun te koop staande woning aan de adres hebben bezichtigd. Na de bezichtiging gaven zij aan de woning te willen kopen. Zij wilden de overdracht per 1 april 2015 laten plaatsvinden. Er is door beide partijen een koopovereenkomst getekend met daarin een bankgarantie die voor 31 maart 2015 betaald diende te worden. Deze is echter nooit betaald.13 Uit de bij de aangifte gevoegde brief van aangever komt naar voren dat vanaf 30 maart 2015 contact met verdachte moeilijk tot stand komt en dat verdachte 31 maart 2015 aan het eind van de middag te kennen heeft gegeven meer tijd nodig te hebben om het geld in het buitenland vrij te maken. Hij krijgt een aantal dagen respijt, maar op 16 april 2015 is nog altijd niets ontvangen.

Bewijsoverwegingen

Verdachte heeft de ten laste gelegde handeling, te weten het tekenen van de koopovereenkomst voor de woning aan de adres en het vervolgens niet betalen, op zich niet ontkend. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij bij het tekenen van de koopovereenkomst in de veronderstelling was dat het geld uit het goudproject onderweg was en dat hij dit tijdig zou ontvangen om de koopsom te kunnen betalen. Dit was echter niet het geval. Het is verder volstrekt niet aannemelijk geworden dat verdachte aanspraak en zicht heeft op de door hem gestelde geldbedragen.

De gang van zaken bij feit 4 komt overeen met de onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde oplichtingen door verdachte. Uit de gedragingen van verdachte blijkt ook niet van betalingsbereidheid. Bovendien blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie dat verdachte in de afgelopen jaren met regelmaat is veroordeeld voor oplichting en/of flessentrekkerij. De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit, gelet op het vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen. Zij ziet in het dossier onvoldoende bewijs voor het medeplegen door zijn echtgenote, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: Oplichting, meermalen gepleegd;
  • Feit 2 primair: Oplichting en poging tot oplichting;
  • Feit 3 subsidiair: Opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als 
  • bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
  • Feit 4: Een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het 
  • oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die 
  • goederen te verzekeren;
     

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF