Falende klacht over rechtsgeldigheid betekening dagvaarding in h.b.

Hoge Raad 18 december 2012, LJN BY5364 Verdachte is bij arrest van 13 oktober 2011 door het Gerechtshof te Arnhem niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof had moeten doen blijken van zijn onderzoek naar de geldigheid van de dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

  1. een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting van het Hof van 13 oktober 2011 - welke inhoudt dat deze dagvaarding op 19 september 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem, omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is";
  2. een "ID-staat SKDB" van 12 oktober 2011 welke inhoudt dat de verdachte op dat moment niet was gedetineerd en dat hij vanaf 20 november 2009 niet in het GBA is ingeschreven;
  3. een akte rechtsmiddel welke inhoudt dat op 23 februari 2011 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en waarin als adres van de verdachte is vermeld: "Z.V.W.O.V.H.T.L.".

Op de terechtzitting van 13 oktober 2011 is de verdachte niet verschenen en heeft het Hof verstek tegen hem verleend.

Beoordeling Hoge Raad

Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof, dat de dagvaarding van de verdachte voor de behandeling van de zaak in hoger beroep op 13 oktober 2011 rechtsgeldig is betekend, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het niet onbegrijpelijk is. Tot nadere motivering was het Hof niet gehouden.

De klacht faalt. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF