Falende bewijsklacht schuldheling. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens schuldheling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

Middel

Blijkens de toelichting klaagt het middel dat het oordeel van het Hof dat de verdachte "minst genomen had moeten vermoeden" dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in art. 417bis Sr gestelde schuldvereiste.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof geoordeeld dat de discrepantie tussen de waarde van de goederen en de daarvoor betaalde prijs dusdanig groot is, dat de verdachte, die automonteur is, minst genomen had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat de verdachte in ernstige mate is tekortgeschoten in zijn onder die omstandigheden geldende onderzoekplicht naar de herkomst van die goederen, hetgeen meebrengt dat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 417bis Sr vereiste schuld.

Conclusie AG Vellinga

Het Hof heeft overwogen dat de discrepantie tussen de waarde van de goederen en de daarvoor door de verdachte betaalde prijs dusdanig groot is dat hij minstgenomen had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Dit oordeel gaat echter alleen op wanneer de verdachte van de waarde van de goederen op de hoogte had moeten zijn. Daaromtrent stelt het Hof echter niets vast. Dat klemt temeer omdat het in het onderhavige geval ging om tweedehands goederen en – voor zoveel uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid – een motorblok dat door de eigenaar zelf is opgebouwd en waarvan de waarde daarom niet eenvoudig kan worden afgemeten aan de waarde van een soortgelijk tweedehands motorblok in het algemeen . Bovendien heeft het Hof de waarde van het motorblok alleen gebaseerd op de opgave van de eigenaar terwijl de ervaring leert dat een eigenaar de waarde van zijn goederen nogal eens te hoog inschat.

Nu kan het zijn dat verdachte als automonteur op de hoogte had moeten zijn van de werkelijke waarde van de door hem aangeschafte goederen, maar daaromtrent heeft het Hof niets vastgesteld.

Het voorgaande betekent dat de voor schuldheling vereiste grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF