Examenfraude scholengemeenschap Ibn Ghaldoun: door diefstal verkregen goederen ex art. 416.1 Sr?

Hoge Raad 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2573

Het Gerechtshof in Den Haag moet de zaak waarin een, inmiddels 22-jarige, man werd veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de eindexamenfraude op de Ibn Ghaldounschool in Rotterdam, opnieuw behandelen. 

De verdachte was niet betrokken bij de diefstal van de examens. Hij is door het Openbaar Ministerie vervolgd voor heling van de examens en voor heling van foto’s van de examens en van een usb-stick met daarop afbeeldingen van de examens. Het hof sprak de verdachte, in december 2015, vrij van heling van de examens maar veroordeelde hem wel voor heling van de foto’s en de usb-stick. 
 

Middel 

Het middel bevat de klacht dat het Hof "fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven" en een "gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven" ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft aangemerkt als door diefstal verkregen goederen in de zin van art. 416 Sr.
 

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van opzetheling van gestolen schriftelijke eindexamenopgaven. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van opzetheling in de zin van art. 416, eerste lid, Sr van "fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven" en "een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven", en in dat verband geoordeeld dat deze fotografische opnames en afbeeldingen kunnen worden aangemerkt als door misdrijf - namelijk door diefstal - verkregen goederen in de zin van art. 416 Sr.

Uit de bewijsvoering kan wel worden afgeleid dat schriftelijke eindexamenopgaven uit de kluis van de scholengemeenschap Ibn Ghaldoun zijn weggenomen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de "fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven" en "een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven" door diefstal zijn verkregen.

Blijkens de bewijsvoering hebben het maken van de (digitale) afbeeldingen van eindexamenopgaven en het opslaan van die afbeeldingen op een gegevensdrager immers eerst plaatsgevonden nadat deze eindexamenopgaven waren weggenomen uit de kluis van de scholengemeenschap Ibn Ghaldoun, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat ook die "fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven" en "een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven" zijn gestolen.

Bovendien is niet begrijpelijk dat het Hof in dit verband op de enkele grond dat de gefotografeerde examens 'in het maatschappelijk verkeer een zekere economische waarde tot het moment van het examen' vertegenwoordigen, heeft geoordeeld dat sprake was van goederen in de zin van art. 416 Sr. Daarbij heeft de Hoge Raad mede acht geslagen op hetgeen daaromtrent in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 31 en 32 is vermeld over de wetsgeschiedenis en het voornemen van de wetgever om te voorzien in een op gegevens toegespitste strafbepaling.

De bewezenverklaring is dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.
 

Conclusie AG

31. Uit het voorafgaande volgt dat het tegen de bedoeling van de wetgever zou indruisen de reikwijdte van het begrip ‘goed’ dusdanig op te rekken dat daaronder ook het exclusief kunnen beschikken over de op een object opgeslagen gegevens valt. Uit de Kamerstukken die betrekking hebben op het wetsvoorstel ‘computercriminaliteit III’, dat thans bij de Eerste Kamer aanhangig is, volgt dat in dezen geen sprake is van een veranderd inzicht van de wetgever. Daarin wordt het onderscheid tussen de strafrechtelijke bescherming van gegevens en van goederen gehandhaafd. Door het College van procureurs-generaal was aandacht gevraagd voor de onmogelijkheid personen te vervolgen voor het helen van gegevens. Daarbij werd onder meer een geval genoemd van gekopieerde gegevens die aan een derde waren gegeven. De derde had de gegevens in ontvangst genomen en door middel van het internet gepubliceerd. Omdat het in deze zaak om gekopieerde gegevens ging en niet om een goed, kon de betrokken derde niet worden vervolgd. Als voorbeeld wordt in de memorie van toelichting ook genoemd de publicatie op het internet van digitale naaktfoto’s die door computervredebreuk zijn verkregen. In dit verband is in de Kamerstukken opnieuw benadrukt dat doorslaggevend is dat een goed individualiseerbaar is en dat degene die de feitelijke macht daarover heeft deze noodzakelijkerwijze verliest indien een ander zich de feitelijke macht daarover verschaft.24 In het wetsvoorstel is ervoor gekozen de verbetering in de strafrechtelijke bescherming van gegevens door te voeren in de strafbepalingen die in de Vijfde Titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen. Overwogen is het wederrechtelijk overnemen van niet-openbare gegevens, alsmede het voorhanden hebben of bekend maken van door misdrijf verkregen gegevens, strafbaar te stellen als diefstal, verduistering en heling (artikelen 310, 321, 416 en 417bis Sr). Daarvan is echter bewust afgezien:

“Nadeel daarvan zou zijn dat zou worden afgeweken van de keuze uit de Wet computercriminaliteit en de Wet computercriminaliteit II om gegevens niet aan een goed gelijk te stellen. Het strafbaar stellen van diefstal of verduistering van gegevens is een minder geschikte oplossing als de gegevens zijn gekopieerd en de rechthebbende de beschikkingsmacht daarover dus niet heeft verloren. Als de rechthebbende de beschikkingsmacht over de gegevens heeft verloren, is volgens de hierboven bedoelde uitspraken van enkele feitenrechters sprake van diefstal van een goed en valt dit gedrag onder artikel 310 Sr in zijn huidige vorm. Voorts zou een gelijkstelling van gegevens met goederen in de artikelen betreffende diefstal, verduistering en heling leiden tot een aanzienlijke overlap met de verschillende andere (al bestaande) artikelen betreffende gegevens (namelijk de artikelen 139c, 139e, 273 en 273d Sr). Hiermee is tevens ingegaan op de vraag van de NVvR, waarom ter zake van deze strafbepaling geen aansluiting is gezocht bij de strafbepaling van artikel 310 Sr. Zoals hierboven reeds aan de orde is gekomen, is die aansluiting vanuit oogpunt van de wetssystematiek gecompliceerd en minder goed verenigbaar met het onderscheid tussen het begrip «goed» en het begrip «gegevens» in het Wetboek van Strafvordering.”

32. Uit het voorafgaande volgt dat de wetgever het voorhanden hebben en overdragen van door misdrijf verkregen gegevens niet onder de reikwijdte van art. 416 Sr heeft willen scharen. Die lijn wordt in het wetsvoorstel computercriminaliteit III voortgezet.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF