Economische zaak: HR verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep

Hoge Raad 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:679

Feiten

De economische kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 8 februari 2011 wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon veroordeeld tot een geldboete van € 2.500.

Mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, advocaat te ’s-Hertogenbosch, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Beoordeling Hoge Raad

De aanzegging op de voet van het eerste lid van artikel 435 Sv is op 4 mei 2012 betekend aan een persoon die verklaarde bestuurder/vennoot van verdachte te zijn. De in het tweede lid van artikel 437 Sv genoemde termijn van twee maanden voor indiening van de cassatieschriftuur eindigde derhalve op 3 juni 2012.

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF