Dodelijk ongeval matroos, verdenking dood door schuld. Vrijspraak: meerdere scenario’s denkbaar

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 oktober 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:7757

Feiten

Verdachte was op 23 december 2011 samen met het latere slachtoffer en vier andere personen aan boord van het binnenvaartschip [schip 1]. De [schip 1]is een duwstel motorvrachtschip met daarvoor een duwbak. Die dag omstreeks 01:15 uur lag het schip afgemeerd in de Krammersluis te Bruinisse en hadden drie personen dienst: verdachte was de schipper en gezagvoerder van het schip, het slachtoffer was als matroos op het voordek belast met het ontmeren van het voorschip en de heer [getuige] was als matroos op het achterdek belast met het ontmeren van het achterschip. De overige personen, waaronder de eigenaar van het schip, waren op dat moment vrij en lagen te slapen. De communicatie aan boord vond plaats door middel van een marifoon. Het visuele contact aan boord was gelet op de afmetingen van het schip en de lading grotendeels afhankelijk van camera’s.

Omstreeks 01:45 uur kwam het slachtoffer zwaargewond de woning op het voorschip binnen. Hij is aan boord gereanimeerd, terwijl het schip is doorgevaren naar de eerstvolgende sluis. Vervolgens is het slachtoffer door een ambulance overgebracht naar het Erasmus ziekenhuis te Rotterdam, alwaar hij vermoedelijk door zuurstofgebrek van de hersenen op 25 december 2011 is overleden.

In de processen-verbaal van bevindingen van de inspectiedienst en de waterpolitie staat dat het meereind (touw/tros) in zijn geheel uit de voorpiek is gekomen. Een in het meereind geknoopt oog zat om een bolderpen van één van de vier bolders op het voordek. Het andere uiteinde van het meereind, dat afgescheurd dan wel gebroken bleek te zijn, hing in het water. Het meereind heeft in de volle lengte overboord gelegen. Het oog waarmee in de Krammersluis aan de kade was afgemeerd is aangetroffen aan één van de bolders in de kademuur van de Krammersluis. Dit kan betekenen dat tijdens het ontmeren in de Krammersluis het meereind niet tijdig van de bolder van de sluismuur is losgehaald. Hierdoor kan de volledige lengte van het meereind vanuit de voorpiek aan dek worden getrokken. Wanneer het andere oog achter de bolder blijft steken komt er dusdanige kracht op het meereind dat dit kan breken.

Verdachte wordt het verwijt gemaakt dat hij uit de Krammersluis is weggevaren alvorens hij zich er - ondanks de aanwezigheid van hulpmiddelen - voldoende van had vergewist dat het slachtoffer het meereind ook daadwerkelijk los had gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtofferdoor de marifoon heeft horen zeggen ‘ist los’. Hij heeft op de camera gekeken en zag geen touw meer om de bolders op het voorschip. Verdachte is er dan ook vanuit gegaan dat het voorschip los was en heeft, aangezien het achterschip daarvoor al los was gemaakt, de motor aangezet. Hij werd bevestigd in zijn oordeel dat het schip los was doordat het schip zich voorwaarts in beweging zette. Als het touw om de bolder op het voordek nog niet los was geweest, was het schip absoluut niet in beweging gekomen, aldus verdachte. In het dossier bevinden zich geen stukken die de lezing van verdachte weerspreken. Verdachte vermoedt achteraf dat het meereind aan de kademuur nog niet los was, dat het gehele meereind bij het wegvaren uit het voordek is getrokken en dat de geknoopte lus in het uiteinde om één van de bolders is geslagen waardoor het meereind bij het wegvaren strak is getrokken en vervolgens is geknapt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat het slachtoffer is overleden en vordert dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij voert daartoe aan dat niet met zekerheid vast te stellen is of verdachte zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het schip los was. Het door verdachte ter zitting geschetste alternatieve scenario is niet onaannemelijk. Daardoor kan niet worden gesteld dat verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen om te voorkomen dat het leven van een persoon in gevaar kon worden gebracht.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat het overlijden van het slachtoffer te wijten is aan de schuld van verdachte, nu verdachte geen enkel rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de tros geknapt is, gesteld al dat het letsel van het slachtoffer daardoor is veroorzaakt. Verdachte had niet anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. Van enige onvoorzichtigheid was geen sprake, laat staan van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen of nalaten. Het slachtoffer heeft aan verdachte via de portofoon bevestigd dat het samenstel los was. Er bestond voor verdachte geen aanleiding te denken dat de tros niet los was. Immers, hij zag op de monitor dat de tros van de scheepsbolder was losgemaakt en het samenstel kwam ook zonder problemen in beweging. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer zijn verwondingen op een andere wijze heeft opgelopen, bijvoorbeeld doordat hij van de roef is gevallen, op een bolder of op de stackerhengel die in het gangboord lag. Gesteld al dat bewezen kan worden dat verdachte de hulpmiddelen onvoldoende heeft ingezet dan blijkt uit de tenlastelegging niet van bijkomende feiten en omstandigheden waardoor dit handelen niet slechts onvoorzichtig maar aanmerkelijk onvoorzichtig was zodat het bestanddeel ‘schuld’ niet bewezen kan worden.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het vermoeden bestaat dat het meereind gebroken is en met grote kracht tegen het lichaam van het slachtoffer is geslagen als gevolg waarvan hij is overleden. Dit is echter niet met zekerheid vastgesteld kunnen worden, omdat er geen sectie meer op het lichaam van het slachtoffer heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien is gebleken dat er meerdere aannemelijke scenario’s mogelijk zijn waardoor het slachtoffer het letsel heeft kunnen opgelopen. Reeds om die reden komt de rechtbank niet tot een feitenvaststelling van hetgeen op 23 december 2011 kort na middernacht is gebeurd. Nu daardoor niet kan worden vastgesteld of het door het slachtoffer geleden letsel en zijn overlijden het gevolg zijn van enig handelen of nalaten van verdachte, dient verdachte op die grond te worden vrijgesproken van het primair aan hem ten laste gelegde. Gelet op het vorenstaande dient verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, nu ook dit verwijt berust op een lezing van de feiten die niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF