Directeur metaalhandel wordt veroordeeld wegens valsheid in geschrift doordat structureel valse inkoopverklaringen zijn opgemaakt

Rechtbank Oost-Brabant 28 april 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:2495 Verdachte is directeur en 50% aandeelhouder van bedrijf 15. De andere 50% wordt gehouden door zijn mededirecteur (medeverdachte 1). Bedrijf 15 houdt zich bezig met de in- en verkoop van metaalafval, waaronder hardmetaal, snelstaal en nikkel. Een enkele keer wordt messing of koper opgekocht maar dat is minimaal. Het afval bestaat uit massieve stukken metaal, alsmede uit poeder, slib, slijpsels en schaafsels, en ontstaat normaal gesproken bij werkzaamheden in metaal- en machinebedrijven, gereedschapsmakerijen, slijperijen en soortgelijke bedrijven.

Medeverdachte 1 verricht geen operationele activiteiten voor wat betreft de inzameling van metaalafval. Dat gebeurt door de werknemers werknemer 1 en werknemer 2. Verdachte verzorgt de boekhouding en financiële administratie en houdt de kas bij. Verder is verdachte verantwoordelijk voor de verkoop. Werknemer 1 en werknemer 2 leggen aan verdachte verantwoording af. Het ingekochte metaalafval is voor het overgrote deel geproduceerd door en afkomstig van bedrijven in de metaalnijverheid; verdachte is daarmee ook bekend.

Werknemer 1 en werknemer 2 gaan bij de klanten langs en halen daar het metaalafval op. De partij wordt ter plaatse gewogen en (meestal) contant afgerekend op basis van de geldende dagprijs. Het komt voor dat een bedrijf de levering factureert aan bedrijf 15; alsdan vindt de betaling meestal per bank plaats. Soms vraagt de leverancier om een weegbon; deze wordt dan door werknemer 1/ werknemer 2 ter plaatse uitgeschreven. Deze weegbon vermeldt de gegevens van de leverancier, adresgegevens en de ingekochte hoeveelheden metaalafval, uitgesplitst naar soort, hoeveelheid en prijs, alsmede een totaalprijs.

Deze weegbon wordt opgemaakt met behulp van een bonnenboekje waarin per pagina een doorslag daarvan (het dubbel) is opgenomen. De weegbon wordt in enkelvoud opgemaakt; het dubbel wordt niet gebruikt noch bewaard. werknemer 1 heeft een bankpas waarmee hij contant geld kan pinnen; werknemer 2 heeft geen bankpas en ontvangt de benodigde contanten van werknemer 1, aan wie hij ook zijn uitgaven verantwoordt. werknemer 1 verantwoordt op zijn beurt zijn uitgaven aan verdachte, die de kasadministratie opmaakt en bijhoudt.

Door werknemer 1 en werknemer 2 wordt geregeld aan verdachte doorgegeven wat er is gekocht, hoeveel kilogram, tegen welke prijs en van wie. werknemer 2 verklaarde dat hij voor zichzelf altijd een notitie maakte van zijn inkopen met daarop de naam van het bedrijf en de contactpersoon, de kilogrammen en de betaalde bedragen. werknemer 1 hield zijn inkopen bij op zijn Blackberry telefoon. Tevens hield hij daarin zijn lopende zakelijke contacten bij. Voor zover een transactie werd gerealiseerd gaf werknemer 1 de betreffende gegevens door aan verdachte. Het ging dan steeds om de bedrijfsnaam en de naam van de contactpersoon, de kilogrammen en de prijzen alsmede de totaalprijs. Op basis van de opgave van werknemer 2 en werknemer 1 maakt verdachte een zogenaamde inkoopverklaring op die volgens verdachte aan de geadresseerde wordt toegezonden. Voor zover de aangetroffen inkoopverklaringen geen postcode vermelden zijn deze niet aan de geadresseerden toegezonden.

Vanaf 1 januari 2007 geldt voor ondernemers die zich bezig houden met het opkopen van metaalafval van andere ondernemers de zogenaamde BTW-verleggingsregeling. Dit betekent dat niet de leverancier van de goederen de omzetbelasting verschuldigd is maar de afnemer. Laatstgenoemde dient aan de fiscus de verschuldigde BTW op te geven maar kan deze meteen ook weer als voorbelasting in aftrek brengen. De systematiek heeft tot gevolg dat goederenstromen aldus kunnen worden gevolgd en gecontroleerd. Indien metaalafval van een ondernemer wordt betrokken dan dient de uit te reiken factuur (hetzij door de leverancier, hetzij – in geval van ‘self-billing’ – door de afnemer) aan bepaalde eisen te voldoen, waaronder de naam en het adres van de betrokken leverancier. Bij het afnemen van metaalafval, afkomstig van een particulier, bestaat geen verplichting om een factuur uit te reiken, noch voor de particuliere leverancier, noch voor de afnemer. Indien echter een factuur wordt opgemaakt dan dient deze in beginsel te voldoen aan de hiervoor bedoelde eisen die gelden in het verkeer tussen ondernemers.

Verdenking

Verdachte wordt verdachte van het plegen van valsheid in geschrifte, meerdermalen gepleegd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging vindt dat het reguliere boekenonderzoek bij bedrijf 15 door de FIOD in 2010 niet als een regulier boekenonderzoek heeft te gelden maar als een opsporingsonderzoek, omdat het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte reeds eerder was opgestart. Daarnaast stelt de verdediging dat de FIOD geen enkel verweer van verdachte op voorhand heeft onderzocht en dat zij bijgevolg zelf vele getuigen heeft moeten horen bij de rechter-commissaris. De verdediging wijst er voorts op dat persoon van de FIOD een prominente rol heeft gespeeld in het onderzoek en dat dit een risico op tunnelvisie met zich brengt. Nu het onderzoek derhalve een eenzijdig onderzoek betreft concludeert de verdediging tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken van het geding en hetgeen summierlijk door de verdediging is aangevoerd een vormverzuim niet aannemelijk is geworden, zodat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt verworpen. Voor zover het opsporingsonderzoek – naar de verdediging stelt – al tendeerde naar een eenzijdige, op verdachte gerichte oriëntatie, moet worden vastgesteld dat de verdediging gelegenheid heeft gehad (en benut) om daaraan tegenwicht te bieden, onder meer middels het bevragen van een groot aantal getuigen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht zich in haar overtuiging, dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan, gesterkt en gesteund door de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de – door verdachte bijgehouden – kasadministratie van bedrijf 15. Uit deze bevindingen blijkt onder meer dat in de onderzochte periode regelmatig sprake was van (dreigende) negatieve kassaldi. Het optreden van een negatieve kas is een te verwachten gevolg indien op papier (inkoopverklaringen) meer contanten worden uitgegeven dan in werkelijkheid, waarbij sprake is van minder transacties respectievelijk lagere transactiebedragen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat regelmatig leningen werden verstrekt door hemzelf en zijn zakenpartner medeverdachte 1 in de vorm van contante kasstortingen en dat derhalve nimmer een negatieve kas is ontstaan, maar verdachte ziet er met die verklaring aan voorbij dat de door hem genoemde geldleningen weliswaar voorkomen dat in het bedrijf in boekhoudkundig opzicht een kastekort ontstaat, maar dat daarmee nog niet is komen vast staan dat die stortingen ook feitelijk hebben plaatsgehad, en evenmin hieruit kan worden verklaard hoe deze contante kasgelden in handen kwamen van werknemer 1 (en via hem van werknemer 2). Uit de afgelegde verklaringen van zowel verdachte als werknemer 1 blijkt dat werknemer 1 de contanten die hij en werknemer 2 nodig hadden om hun werk te kunnen doen verkreeg door met de bankpas van bedrijf 15 geldbedragen te pinnen. Nog daargelaten dat volgens het onderzoek verdachte niet de beschikking had over de door hem beweerdelijk uitgeleende gelden en dat medeverdachte 1 zelfs heeft ontkend aldus geld te hebben uitgeleend, is de rechtbank uit niets gebleken dat verdachte in de onderzochte periode geld in contanten aan werknemer 1 en/of werknemer 2 ter hand heeft gesteld, teneinde hen in staat te stellen daarmee inkopen ten behoeve van bedrijf 15 te verrichten.

Vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de inkoopverklaringen, opgesomd achter het derde (getuige 3), vierde (getuige 4), vijfde (getuige 5), achtste (getuige 8), tiende (getuige 10) en elfde (getuige 11) gedachtestreepje valselijk heeft opgemaakt c.q. doen opmaken respectievelijk vervalst of doen vervalsen en spreekt hem daarvan vrij.

Ten aanzien van getuige 3, getuige 8, getuige 10 en getuige 11 heeft te gelden dat in het licht van hun verklaringen ten overstaan van de rechter-commissaris niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat de in de tenlastelegging genoemde inkoopverklaringen geen betrekking hebben op daadwerkelijk gedane inkopen en daarmee samenhangende betalingen.

Met betrekking tot de inkoopverklaring ten name van getuige 4 heeft getuige 4 bij zowel de FIOD als de rechter-commissaris verklaard dat de inkoopverklaring van 2 april 2008 geen daadwerkelijke levering en betaling vertegenwoordigt en dat hij sedert 11-12 jaar geen restafval heeft verkocht. De rechtbank ziet echter in de uit het onderzoek naar de onder werknemer 1 in beslag genomen Blackberry aanleiding tot gerede twijfel. De rechtbank ziet een objectieve aanwijzing dat er op die datum een transactie is geweest zoals in de op 2 april 2008 gedateerde inkoopverklaring D-031 is verwoord.

Ten aanzien van de twee inkoopverklaringen (D-058 en D-061) ten name van getuige 5 overweegt de rechtbank dat gelet op de stukken en de afgelegde verklaringen op zichzelf vaststaat dat er in 2010 (tenminste vier) transacties zijn verricht waarbij door getuige 5 c.q. bedrijf 4 metaalafval is geleverd aan bedrijf 15. Ten aanzien van de twee in de tenlastelegging genoemde inkoopverklaringen (van 30 juli 2010 en 29 september 2010) merkt getuige 5 bij de FIOD op dat deze met zekerheid geen betrekking hebben op daadwerkelijke transacties, zonder evenwel daarbij aan te geven waarom hij dat zo zeker weet ten aanzien van deze specifieke transacties. Bezien in het licht van het totale aantal door getuige 5 met bedrijf 15 verrichte transacties (door getuige 5 geschat op maximaal 30) en bij gebreke van enige ondersteuning voor de bewering van getuige 5 dat de twee in de inkoopverklaringen genoemde transacties niet hebben plaatsgevonden heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat deze niet hebben plaatsgevonden.

Bewezenverklaring

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF