De term “deelnemen” komt binnen de context van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 een eigen betekenis toe, die afwijkt van de betekenis die aan het begrip deelnemen wordt gegeven in de art. 47 en 48 Sr

Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:670

Bij arrest van 31 augustus 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte wegens “overtreding van artikel 2.2 lid 3, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 en overtreding van artikel 2.2 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008”, veroordeeld tot twee geldboetes, elk van vijftig euro, telkens bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis.
 

Middel

Het middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het tweede cumulatief tenlastegelegde feit voor zover deze inhoudt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een samenscholing.
 

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste lid van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

"Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren."

De term "deelnemen" is in de tenlastelegging en de bewezenverklaring kennelijk gebruikt in de betekenis die daaraan ingevolge de APV Amsterdam 2008 toekomt. De term "deelnemen" in art. 2.2 APV Amsterdam 2008 komt een eigen betekenis toe. Voldoende voor een bewezenverklaring van "deelnemen" in de zin van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 is dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dreiging die van een groep uitgaat door deel uit te maken van die groep.

Voor zover het middel derhalve steunt op de opvatting dat voor het bewijs van deelneming aan een samenscholing is vereist dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen, faalt het nu die opvatting geen steun vindt in het recht.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF