De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat het openbaar ministerie onzorgvuldig heeft gehandeld

Rechtbank Midden-Nederland 1 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3909

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 1 juli 2014 als preliminair verweer aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden én wegens schending van de beginselen van een goede procesorde, te weten het zorgvuldigheidbeginsel. Het betreft hier immers niet alleen een zeer oude zaak, de verdenking is meer dan 3 jaar geleden aangevangen, maar bovendien is op verzoeken van de verdediging om haar te informeren over de afhandeling van de zaak nooit gereageerd en is het dossier pas na zeer veel aandringen in een extreem laat stadium, gezien de geplande zitting op 14 januari 2014, verstrekt. Ook is de officier van justitie, ondanks het verzoek van 22 april 2014, nalatig gebleven in het toezenden van het proces-verbaal van 26 maart 2014 dat reeds op 9 april ingeboekt werd.

De verdediging is zich ervan bewust dat in beginsel schending van de redelijke termijn slechts tot strafvermindering kan leiden. Echter in het onderhavige geval gaat het naast overschrijding van de redelijke termijn ook om het feit dat het openbaar ministerie van meet af aan zeer traag en onzorgvuldig jegens verdachte en de verdediging heeft optreden. Dit ondanks het vreemde- lingrechtelijke belang dat verdachte heeft bij een spoedige behandeling van zijn zaak, hetgeen ook bij het openbaar ministerie bekend was.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord Holland van 30 januari 2014 heeft de raadsvrouw bepleit de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat niet-ontvankelijkheid in de vervolging niet aan de orde is. Zij heeft toegegeven dat het een oudere zaak is die pas in januari 2014 op de zitting is aangebracht, maar de overschrijding van de redelijke termijn die daarmee aan de orde is, is geen beletsel voor vervolging. Wel kan de overschrijding van de termijn worden meegenomen in de strafmaat. Het niet reageren op verzoeken en het niet dan wel te laat verstrekken van stukken is volgens de officier van justitie ook geen reden om haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Aan de onderzoekswensen is uiteindelijk voldaan en de ontbrekende stukken zijn aan het dossier toegevoegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde is. Overschrijding van de redelijke termijn, welke in onderhavige zaak onmiskenbaar aan de orde is, is op zichzelf volgens de Hoge Raad onvoldoende om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Naast overschrijding van de redelijke termijn is in deze zaak voorts relevant dat het voor verdachte van groot belang was dat zijn strafzaak zo spoedig mogelijk zou worden afgedaan vanwege zijn status als ongewenst vreemdeling. Om die reden heeft zijn raadsvrouw (veelvuldig) getracht om snel duidelijkheid te krijgen omtrent de afdoening van de strafzaak tegen haar cliënt. Het openbaar ministerie heeft hierop echter een en andermaal niet, dan wel uiteindelijk in een naar het oordeel van de rechtbank veel te laat stadium, actie ondernomen. Er waren daarenboven twee terechtzittingen nodig om het dossier, dat in eerste instantie te laat aan de verdediging was verstrekt, te completeren en uiteindelijk zijn er zelfs voor de terechtzitting van vandaag nog stukken toegevoegd die al veel eerder beschikbaar waren en aan het dossier toegevoegd hadden moeten worden. Omtrent het bestaan van deze stukken zijn bovendien van de zijde van het openbaar ministerie op een vorige terechtzitting onjuiste mededelingen gedaan, waarvan pas ter terechtzitting van vandaag is gebleken.

Uit het samenstel van voorgaande constateringen concludeert de rechtbank dat er in dit geval sprake is van zodanige schending van de belangen van verdachte dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging moet worden verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF