De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het zonder sloopvergunning slopen van een monumentale boerderij

Rechtbank Overijssel 3 maart 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:993

Verdenking

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 en/of 9 juli 2011 te Saasveld, gemeente Dinkelland samen met een ander of anderen een monumentale boerderij heeft gesloopt zonder sloopvergunning.

Standpunten OvJ en verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat, op grond van de in het strafdossier opgenomen bewijsmiddelen, het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De verdachte heeft bepleit dat hij integraal moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit.

Beoordeling rechtbank

Op 24 januari 2011 heeft de heer [medeverdachte] een vergunningsaanvraag ingediend voor het slopen van een bestaande boerderij aan de [adres 2] te Saasveld. Bij besluit van 16 maart 2011 is het erfgoed [adres 2] te Saasveld aangewezen als gemeentelijk monument. Op 19 april 2011 wordt de omgevingsvergunning voor het slopen van deze bestaande boerderij afgewezen. Op 8 en 9 juli 2011 zijn op het perceel [adres 2] te Saasveld sloopwerkzaamheden verricht, waarbij onder andere de bestaande boerderij is gesloopt. Verdachte erkent dat hij feitelijk leiding geeft aan [B.V. verdachte] en dat [B.V. verdachte] de sloopwerkzaamheden heeft (laten) verricht(en).

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verboden is om zonder vergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een beschermd monument. Ingevolge de artikel 1.1 van de Wabo wordt onder beschermd monument verstaan een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988, met uitzondering van een beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1, onder c, van die wet. Kort gezegd ziet artikel 2.1 van de Wabo op een Rijksmonument. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het in casu niet gaat om een Rijksmonument, maar om een gemeentelijk monument.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om een monument als bedoeld in een zodanige verordening te slopen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

In de tenlastelegging staat dat ingevolge artikel 10, lid 2, van de erfgoedverordening gemeente Dinkelland 2010 een vergunning van het bevoegd gezag was vereist. De Erfgoedverordening Dinkelland 2010 is op 22 juni 2010 door de gemeenteraad vastgesteld en op 14 juli 2011 bekend gemaakt. Bij de publicatie staat vermeld dat de verordening in werking treedt met ingang van de datum na publicatie van deze verordening, dat wil zeggen op 15 juli 2011. Ingevolge artikel 139, eerste lid van de Gemeentewet verbinden de in de verordening opgenomen algemeen verbindende voorschriften, pas vanaf het moment van bekendmaking, in casu 15 juli 2011. De Erfgoedverordening Dinkelland 2010 was dus op 8 en 9 juli 2011 nog niet in werking getreden.

Nu aan verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij op 8 en 9 juli 2011 een gemeentelijk monument heeft gesloopt terwijl daarvoor ingevolge artikel 10, lid 2 van de Erfgoedverordening Dinkelland 2010 een vergunning was vereist, en gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, deze vergunning op 8 en 9 juli 2011 (nog) niet was vereist, kan het ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF