De rechtbank Almelo acht deels bewezen dat slachterij Weyl uit Enschede gefraudeerd heeft. Bestuurder krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden en medeverdachte 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk

Rechtbank Almelo 1 oktober 2012, LJN BX8771 De tenlastelegging

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  1. als feitelijk leidinggevende van [X] met een ander in de periode van 6 juni 2009 tot en met 14 mei 2010 tien verkoopfacturen heeft vervalst, art. 225 lid 1 Sr;
  2. als feitelijk leidinggevende van [X] met een ander op 17 juli 2008 en op 25 juni 2009 te Enschede gebruik heeft gemaakt van vervalste saldoververficaties door deze te overleggen aan Fortis Commercial Finance N.V., teneinde voor te wenden dat het openstaande debiteurensaldo bij [X ]veel hoger was dan dit in werkelijkheid het geval was, art. 225 lid 2 Sr;
  3. als feitelijk leidinggevende van [X] met een ander in de jaren 2001 tot en met 2009 de bedrijfsadministratie van [X] valselijk heeft opgemaakt, art. 225 lid 1 Sr;
  4. in de periode van 1 januari 2001 tot en met 20 mei 2010 als bestuurder van [Y] onware staten, balansen, winst- en verliesrekeningen, staten van baten en lasten van [Y] openbaar heeft gemaakt dan wel valse jaarrekeningen van [Y] heeft opgemaakt, art. 225 lid 1 Sr.

De vordering van de officier van justitie

De OvJ heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Voovragen

De rechtbank overweegt dat onder feit 1 onder meer is ten laste gelegd dat verdachte feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan/tot het plegen van het misdrijf van art. 225 lid 1 Sr door [X] Hierbij worden tien facturen genoemd die feitelijk zijn omschreven. Ten aanzien van de woorden ‘en/of één of meer andere (kopie) (verkoop)factu(u)r(en)’ overweegt de rechtbank dat de tenlastelegging, naast een kwalificatief gedeelte, ook een feitelijke omschrijving van de feiten waarvan verdachte beschuldigd wordt moet bevatten. De ‘één of meer andere (kopie) (verkoop)factu(u)r(en)’ zijn niet nader omschreven onder feit 1. De dagvaarding bevat daarmee een onvoldoende duidelijke opgave van wat verdachte verweten wordt. Naar het oordeel van de rechtbank dient de dagvaarding ten aanzien van dit onderdeel partieel nietig te worden verklaard.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging heeft aangevoerd dat zij de tenlastegelegde feiten bewezen acht.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs van de tenlastegelegde feiten het volgende.

Verklaring van verdachte Verdachte heeft ter terechtzitting alle feiten die hem worden verweten erkend. Hij heeft verklaard dat hij als bestuurder van [Y], [X] en [Z] volledig verantwoordelijk is voor hetgeen is gebeurd. Ten aanzien van feit 1 bekent verdachte dat hij [D], hoofd administratie van [X], opdracht heeft gegeven om voorfacturen op te maken om zo het krediet bij de bank op te hogen. Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte verklaard dat hij beide saldoverificaties heeft getekend. Hij wist dat de saldo’s niet klopten en verklaart dat alles tot doel had om kredietruimte te behouden, om een faillissement van zijn bedrijf te voorkomen. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 geldt volgens verdachte hetzelfde verhaal als voor de feiten 1 en 2. Hij wist -naast de fictieve facturen die onder feit 1 ten laste zijn gelegd- dat er fictieve nota’s gemaakt werden die verrekend werden met de openstaande schuld aan bepaalde crediteuren, teneinde de openstaande schuld aan crediteuren te verlagen. Verdachte wist dat er op deze wijze onjuiste gegevens werden opgenomen in de bedrijfsadministratie en dat deze gegevens werden verwerkt in de jaarstukken, zodat daarin ten onrechte te hoog bedrijfsresultaat werd weergegeven. Wel maakt verdachte een uitzondering voor de voorraadwaardering, daar zijn volgens hem correcte hoeveelheden en prijzen gehanteerd.

Feiten 1 en 2

De rechtbank acht hetgeen onder de feiten 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft beide feiten bekend en het dossier bevat ook overigens voldoende bewijs dat de genoemde facturen en saldoverificaties valselijk zijn opgemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband -naast de kopieën van de betreffende verkoopfacturen -naar de verklaringen van de getuigen [D] (hoofd administratie van [X]), [N] (medewerker administratie van [X]) en [W] (hoofd administratie van Stegeman CV).

Feit 3

Met betrekking tot dit feit komt de rechtbank tot een partiële vrijspraak, namelijk voor het feitelijk leiding en/of opdracht geven aan/tot het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [X] over de jaren 2001, 2002 en 2003. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat de bedrijfsadministratie over deze jaren, naast die over de jaren 2004 tot en met 2010, valselijk is opgemaakt. Met name het overzicht van de correctieboekingen op de debiteuren en crediteuren, zoals opgemaakt door de getuige [B] (medewerkster administratie van [X]), biedt geen bewijs voor de jaren 2001 tot en met 2003. Dit overzicht betreft immers de periode 2004 tot en met 2010. Ook komt de rechtbank tot een partiële vrijspraak voor wat betreft het verwijt dat de voorraad van [X] tegen een te hoge waarde in de administratie is opgenomen. Verdachte heeft dit onderdeel van feit 3 ter terechtzitting ontkend en het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet bewijs dat de voorraden over de ten laste gelegde jaren bewust te hoog zijn gewaardeerd. Voor het overige acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd, nu verdachte het feit heeft bekend en ook overigens naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs in het dossier aanwezig is.

Feit 4

Ten aanzien van dit feit (onder primair) komt de rechtbank, op dezelfde gronden als onder feit 3, tot een partiële vrijspraak voor het openbaar maken van onware stukken van [Y] over de jaren 2001 tot en met 2003. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte dit feit (onder primair) tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd. Met name is onvoldoende bewijs aanwezig dat medeverdachte [G], die naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt kan worden als bestuurder van [Y] en derhalve niet gebonden was tot openbaar maken van de jaarstukken van de voornoemde holding, zich aan dit feit zou hebben schuldig gemaakt. Voor het overige acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte onder feit 4 primair ten laste is gelegd, nu verdachte het feit heeft bekend en ook overigens naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs in het dossier aanwezig is.

Conclusie

De rechtbank veroordeeld verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

De strafeis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF