Dagvaarden ter terechtzitting na strafbeschikking in beginsel niet onmogelijk

Rechtbank Limburg 31 oktober 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:8123

In de onderhavige strafprocedure is een strafvervolging aan de orde na een eerder uitgevaardigde strafbeschikking, waartegen voor zover bekend geen verzet werd ingesteld, terwijl tenuitvoerlegging van die strafbeschikking (om welke reden dan ook) niet is geslaagd.

De kantonrechter stelt het telkens bij artikel 553, 561 en 572 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde, in onderling verband bezien, voorop. Tenuitvoerlegging van een daarvoor vatbare strafrechtelijk executoriale titel is ingevolge de wet zonder meer verplicht en zonder vrije beleidsruimte van het Openbaar Ministerie voorgeschreven, niet alleen voor wat betreft de klassieke executoriale titels, zoals met name besloten in rechterlijke uitspraken, doch evenzeer voor wat betreft strafbeschikkingen die immers ingevolge de huidige wet gelijkelijk worden aangeduid als (direct) voor tenuitvoerlegging vatbare titels, indien - voor zover in de onderhavige strafprocedure aan de orde is - verzet daartegen achterwege is gebleven.  De kantonrechter verwijst kortheidshalve naar Duisterwinkel-Melai aantekening 4 bij artikel 561 Sv. en - speciaal voor wat betreft de strafbeschikking als separate executoriale titel - naar "De Strafbeschikking", deel 38 in de serie studiepockets strafrecht, paragraaf 6.3, pagina 84 en verder.

De kantonrechter verliest niet uit het oog dat de wijze van tenuitvoerlegging en/of de keuze voor de bij wet voorziene, diverse modaliteiten van tenuitvoerlegging daartegenover in beginsel níet aan rechterlijke beoordeling zijn onderworpen. De keuze voor verhaal, voor verhaal met dwangbevel, voor gijzeling dient aan het Openbaar Ministerie te worden gelaten.

Gelet op het vorenoverwogene wordt vastgesteld dat in de onderhavige strafprocedure, élke vorm van de bij wet (in het vijfde boek van het Wetboek van Strafvordering) voorziene modaliteit van tenuitvoerlegging ten onrechte achterwege is gebleven, nu het strafdossier daartoe geen enkel inzicht geeft.

Ambtshalve is de kantonrechter bekend dat wordt volstaan wordt met een enkele aanmaning en – nadien vruchteloos gebleken – verzoeken door de kantonrechter aan het Openbaar Ministerie om nadere informatie. Geheel in strijd met de daarmee aan de orde zijnde strafvorderlijke uitspraak (vgl. artikel 138 Wetboek van Strafvordering) blijft regelmatig elke nadere informatie uit, hetgeen - naar de kantonrechter uit eigen waarneming en ondervinding bekend is - overigens geen incident betreft, doch juist (gedurende inmiddels reeds enige jaren) een vast en bestendig patroon vormt, dat op zichzelf reeds afkeuring en/of strafvorderlijke sanctionering impliceert, om reden dat ook op dit punt geldt dat uitvoering en/of naleving van uitspraken juist verplícht is.

1.6.Zonder vaststelbare, ter hand genomen modaliteiten van tenuitvoerlegging, in welke vorm dan ook en zoals hierboven bedoeld en zonder dat vastgesteld kan worden dat daar in rechte te accepteren redenen voor aanwezig zijn dient in beginsel de Officier van Justitie te worden verwezen naar de nog steeds effectieve strafbeschikking van zijn eigen hand. Dit om redenen van een behoorlijke procesorde (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 24 juni 2013 (ECLI NL GHSHE 2013 2617), doch daarenboven om reden van strijd met de wettelijke verplichting tot tenuitvoerlegging.

De kantonrechter weet uit eigen waarneming dat in talloze eerdere zaken stukken met betrekking tot de strafbeschikking waren bijgevoegd (behalve dan wat betreft het verhaal, verhaal met dwangbevel, vordering tot gijzeling). In de huidige zaak, en de vele overige die vandaag ter terechtzitting zijn voorgelegd, wordt op de dagvaarding vermeld: “”Er is eerder een strafbeschikking aan u uitgevaardigd voor dat / die feit(en). De tenuitvoerlegging daarvan is niet geslaagd.”

De kantonrechter acht de laatstgenoemde mededeling wat al te summier of zelf gratuit gelet op het volgende. In het dossier ontbreekt informatie die de kantonrechter wil betrekken bij de beoordeling van de zaak. In de Aanwijzing OM-afdoening (Staatscourant 2011, 10937) wordt bepaald dat alle relevante documenten betreffende het uitvaardigen van de strafbeschikking en de executie van de opgelegde straf deel zullen uitmaken van het strafdossier. Dat is in dit dossier niet geschied.

De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 255a en 354a wetboek van strafvordering de officier kan dagvaarden indien de strafbeschikking niet onherroepelijk is geworden dan wel niet volledig ten uitvoer is gelegd. De kantonrechter zal moeten kunnen vaststellen of een van die situaties zich voordoet. Op basis van het onderhavige dossier kan de kantonrechter dit niet.

Over het dagvaarden ter zitting onder instandhouding van de strafbeschikking kan, gezien het beginsel dat dubbele bestraffing en/of dubbel vervolging niet te snel mogelijk moet zijn, ook anders over gedacht worden, maar dat doet de kantonrechter niet (meer). Daartoe slaat de kantonrechter acht op:

  • De MvT ( Kamerstuk 29847, nr 3) op art. 255a: “Wordt de verdachte gedagvaard omdat de strafbeschikking niet ten uitvoer is gelegd, dan is de strafbeschikking ingevolge het voorgestelde derde lid niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar. De tenuitvoerlegging die reeds is aangevangen, wordt geschorst. De strafrechter beoordeelt de strafzaak in dit geval, net als thans, op basis van de artikelen 348 en 350 Sv. Niet de strafbeschikking staat centraal, al kan deze – net als thans een mislukt transactieaanbod – wel een rol spelen. Zo kan de omstandigheid dat de verdachte een opgelegde geldboete niet heeft kunnen betalen of een opgelegde taakstraf niet heeft willen voltooien, van belang zijn bij de keuze van de strafsoort door de strafrechter. De strafrechter is echter in geen enkel opzicht door de strafbeschikking gebonden: hij komt zelfstandig tot een oordeel over de merites van de zaak.(...) Tegelijkertijd kan evenwel worden vastgesteld dat de rechtspositie van de verdachte jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd in vele opzichten materieel overeenkomt met die van een verdachte die door de strafrechter veroordeeld is. Dat is immers de kern van het onderhavige wetsvoorstel: de strafbeschikking kan, anders dan de transactie, straffen en maatregelen bevatten die op dezelfde wijze ten uitvoer gelegd kunnen worden als in het geval zij in een rechterlijke veroordeling worden opgenomen. Deze vaststelling heeft er dan ook toe geleid dat, vooral bij de verwerking van de strafbeschikking in het recht dat de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen beheerst, de strafbeschikking dikwijls al dan niet met behulp van een definitiebepaling gelijkgesteld is met een rechterlijke veroordeling dan wel, indien de toepasselijkheid van de desbetreffende bepaling bij de strafbeschikking vanzelf spreekt, onder het begrip veroordeling begrepen is.”
  • Gerechtshof 's-Gravenhage, 26-03-2013, 22-004141-12, LJN BZ5617: “Op zichzelf bestaat, blijkens het bepaalde in artikel 255a Wetboek van Strafvordering, de mogelijkheid om de verdachte te dagvaarden nadat er eerst een strafbeschikking tegen hem is uitgevaardigd. Het Openbaar Ministerie dient hierbij echter wel te handelen overeenkomstig de beginselen van een behoorlijke procesorde.”

Op dit punt dient niet-ontvankelijkheid achterwege te blijven.

De strafbeschikking tegen verdachte ontbreekt zoals gezegd in het dossier. De wetgever heeft ongetwijfeld bedoeld dat de strafbeschikking deel uitmaakt van het strafdossier. Dit is van belang om te zien welk verwijt de officier van justitie de verdachte heeft gemaakt (en nu maakt) en om te weten welke straf de officier indertijd heeft opgelegd. Dat kan lager zijn, maar ook, zo ondervond de kantonrechter in een ander dossier, veel hoger. De kantonrechter draagt de officier van justitie op hiervoor te zorgen.

Voorts acht de kantonrechter het van belang dat uit het dossier voldoende kenbaar en voldoende controleerbaar blijkt of en zo ja wanneer de verdachte de strafbeschikking heeft ontvangen. De kantonrechter draagt de officier van justitie op hiervoor te zorgen.

Uit het dossier moet ook blijken welke inspanningen het Openbaar Ministerie zich heeft getroost om de strafbeschikking aan verdachte kenbaar te maken. Dit veronderstelt ook dat duidelijk wordt wanneer op welk(e) adres(sen) de strafbeschikking is gezonden en waar verdachte ten tijde van het sturen stond ingeschreven. Het overzicht van het CJIB dat aan het dossier is toegevoegd, zou daarvoor voldoende kunnen zijn mits het overzicht is toegelicht. In de toelichting zou ten minste kunnen worden opgenomen waar alle gebruikte afkortingen voor staan en welke functie welke handeling heeft. De kantonrechter draagt de officier op hiervoor te zorgen.

Nu de officier van justitie bij de afdoening oorspronkelijk voor een strafbeschikking heeft gekozen, meent de kantonrechter de vraag van belang of het passend is dat de officier nu tot dagvaarding van verdachte is overgegaan. Daartoe het volgende:

In de nota n.a.v. het verslag (29 849, nr. 7) staat: “In het geval het OM een strafbaar feit met een strafbeschikking heeft afgedaan en de verdachte nog niet in gebreke is, met betalen of anderszins, ligt een beslissing om hem desondanks te dagvaarden mede gelet op het vertrouwensbeginsel bijvoorbeeld niet in de rede." De kantonrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de officier van justitie in het dossier laat opnemen de reden waarom de officier alsnog is overgegaan tot dagvaarden.

Omdat de wetgever de strafbeschikking heeft geïntroduceerd (mede) om de strafrechter te ontlasten zal het Openbaar Ministerie redelijkerwijze te vergen inspanningen moeten leveren om de bij strafbeschikking opgelegde straf te executeren alvorens te dagvaarden. De wetgever heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheden van de artikelen 572 ev wetboek van strafvordering gegeven om te executeren. De kantonrechter acht het in gevallen als de onderhavige redelijk dat het Openbaar Ministerie verhaal zoekt met toepassing van een dwangbevel of, maar dan wel gepast en als allerlaatst, toepassing van gijzeling (artikel 578b wetboek van strafvordering).

In deze zaak is niets van de inspanningen gebleken: herinneringsbrieven, aanmaningen, verhaal door deurwaarder (of een deurwaardersbriefje: bijv. “verhaal niet mogelijk; geëxecuteerde staat onder bewind ”), dwangbevel: Niets van dat alles. Het is voor de kantonrechter op dit moment niet mogelijk de vraag te beantwoorden in hoeverre dit te kenschetsen zou kunnen zijn als voldoende redelijkerwijze te verwachten inspanningen voor executie. In de eerder genoemde Aanwijzing OM-afdoening staat beschreven hoe het CJIB de inning van een geldboete uitvoert. Hierin wordt onder meer het volgende genoemd: “Als op grond van de eerste aanschrijving en eventuele aanmaningen met aangehechte ola’s geen – volledige – betaling plaatsvindt, wordt getracht te executeren door middel van toepassing van verhaal met of zonder dwangbevel. (…) Indien verhaal niet tot (voldoende) resultaat leidt en (er) van gijzeling wordt afgezien, de vordering (ex artikel 578b Sv) wordt afgewezen of als gijzeling geen betaling oplevert, wordt beoordeeld of overdracht van de zaak aan het OM zal plaatsvinden. (…) Een vordering (ex artikel 578b Sv) wordt niet ingediend als bekend is dat de bestrafte de geldboete niet kan betalen.”

De kantonrechter draagt de officier daarom op in het dossier een overzicht op te nemen welke inspanningen zijn verricht om de straf te executeren en wat de redenen zijn om niet tot ten minste verhaal met dwangbevel door te gaan met executiepogingen . De opmerking van het CJIB “De tenuitvoerlegging daarvan is niet geslaagd” is, zoals gezegd, te summier.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir geëist een geldboete van 100,00 euro te vervangen door 2 dagen hechtenis bij niet-betaling. In de aanwijzing OM-afdoening (Staatscourant 2011, 10937) staat onder meer te lezen: “als de in de strafbeschikking opgelegde boete niet wordt betaald of verhaald moet de officier van justitie geen geldboete maar een taakstraf of vrijheidsstraf vorderen”. De reden van de officier om van deze Aanwijzing af te wijken heeft hij mondeling niet toegelicht en blijkt niet uit het dossier.

De beantwoording van deze vragen is eveneens van belang voor de vraag welke sanctie – mits de eerste drie vragen van artikel 350 wetboek van strafvordering positief kunnen worden beantwoord – passend is. Immers, indien betaling van een geldboete niet te verwachten is, zou een andere strafmodaliteit tot de mogelijkheden kunnen behoren. En het ontgaat de kantonrechter voorshands wat een door hem opgelegde boete van € 70,00 subs. 1 dag vervangende hechtenis meer oplevert dan een strafbeschikking met een geldboete van € 70,00.

De kantonrechter draagt de officier het volgende op:

  • om een kopie van de strafbeschikking aan het dossier toe te voegen en een helder overzicht waaruit blijkt wat het openbaar ministerie heeft gedaan om de strafbeschikking bekend te maken aan verdachte;
  • om in het dossier een overzicht op te nemen welke inspanningen zijn verricht om de straf te executeren en wat de redenen zijn om niet tot en met dwangbevel door te gaan met executiepogingen;
  • om aan het dossier toe te voegen de redenen waarom de officier alsnog is overgegaan tot dagvaarden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF