Consequentie niet tijdig kenbaar maken door OvJ van het voornemen tot aanhangig maken van ontnemingsvordering

Hoge Raad 20 november 2012, LJN BY0251 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 april 2011 het door de betrokkene, ter zake van gekwalificeerde diefstal in vereniging en poging tot gekwalificeerde diefstal, wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op afgerond € 975 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2011 houdt in dat de raadsman van de betrokkene aldaar het volgende heeft aangevoerd:

"Ik blijf bij mijn bij brief van 22 februari 2011 aangevoerde standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat art. 311 Sv is geschonden. Mijn cliënt heeft nadeel ondervonden als gevolg van de schending van art. 311 Sv omdat hij lange tijd er van is uitgegaan dat er geen ontnemingsvordering zou worden gedaan. Juist bij eenvoudige zaken dient het openbaar ministerie eerder niet-ontvankelijk te worden verklaard." 

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat artikel 311 Sv is geschonden nu de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir in de strafzaak kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de onderhavige ontnemingvordering aanhangig te maken. 

Het hof constateert dat in de strafzaak tegen verdachte door de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar is gemaakt dat hij voornemens is een ontnemingvordering aanhangig te maken. Dit is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het rechtsgevolg van deze schending blijkt niet uit de wet. 

Daarom dient beoordeeld te worden of aan het verzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt (vergelijk onder meer HR 11 januari 2011, LJN BN2297). 

Het hof neemt voor dit oordeel de volgende door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden in aanmerking: 

  • de officier van justitie heeft bij brieven van 29 september 2008 (drie maanden na de laatste zitting in de strafzaak) alsnog aan de verdachte en zijn raadsman laten weten dat hij voornemens is een ontnemingsvordering te doen; 
  • de verdachte heeft tegen het strafvonnis van de rechtbank hoger beroep aangetekend; het verzuim van de aankondiging kon derhalve niet de verwachting wekken dat de strafprocedure met het vonnis van eerste aanleg was beëindigd. 

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de ernst van het verzuim zodanig gering is dat zal worden volstaan met de enkele constatering ervan. 

Het hof verwerpt derhalve het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie." 

Middel

Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de onder omstandigheden bestaande verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingvordering is met name de rechtszekerheid in het geding (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199 en HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297).

Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te beoordelen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199).

Het Hof heeft geoordeeld dat aan het verzuim van de OvJ niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar te maken dat hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, geen rechtsgevolg dient te worden verbonden, maar dat zal worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Daargelaten dat het verzuim van de OvJ door het Hof ten onrechte is aangemerkt als een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de omstandigheden waarop het Hof zijn kennelijke oordeel heeft gebaseerd dat het belang van de betrokkene bij rechtszekerheid omtrent het voornemen van de OvJ een ontnemingsvordering aanhangig te maken, slechts in geringe mate is geschonden.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier het hele arrest.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF