Conclusie AG over 'witwassen en het daaraan voorafgaand feit'

Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:223

De verdachte is bij arrest van 3 juli 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het eerste middel klaagt dat van witwassen alleen sprake kan zijn als (in casu) het geldbedrag afkomstig is van een aan het witwassen voorafgaand misdrijf.

Conclusie AG

Het uitgangspunt van het middel is juist. Er kan immers niet worden witgewassen als het bedoelde misdrijf later in tijd wordt begaan. In de woorden van de Hoge Raad: “vermogensbestanddelen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van de art. 420bis en 420quarter Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan”.

Op de onderhavige zaak is het genoemde uitgangspunt echter niet van toepassing. Blijkens de bewijsoverwegingen (met name de eerste alinea) van het hof ten aanzien van het witwassen, heeft een zekere betrokkene 4 “rond de jaarwisseling 2008/2009” in totaal bijna 16 miljoen euro in dienstbetrekking verduisterd en maakten daarvan overboekingen van de geldbedragen (van in totaal twee miljoen euro) deel uit. Ik merk daarbij op dat in het arrest van het hof in de zaak van betrokkene 4 van 16 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2280, waarnaar het hof in zijn bewijsoverwegingen verwijst (zie mijn voetnoot 2), onder feit 1, zaakdossier 1 (Limburg), ten laste van betrokkene 4 is bewezenverklaard dat die overboekingen – telkens 50.000 euro, in totaal twee miljoen euro (tweemaal 1 miljoen) – hebben plaatsgevonden op 9 februari 2009 en dat van enige vorm van deelneming in die bewezenverklaring niet wordt gerept; betrokkene 4 wordt in die bewezenverklaring als enig pleger aangemerkt.

Het ene bedrag van in totaal 1 miljoen euro is overgeboekt naar een rekeningnummer ten name van A, het andere bedrag van in totaal 1 miljoen euro op een rekeningnummer van B. Over beide rekeningen kon betrokkene 5 beschikken. Dát is het moment waarop of waarna onder meer de verdachte, die, aldus de bewijsoverwegingen van het hof, is gevraagd de twee miljoen euro weg te sluizen, het geld heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Op dát moment is wat betreft de verdachte het witwassen aangevangen. Het misdrijf verduistering (in dienstbetrekking) is dus wel degelijk voorafgegaan aan het verwerven en voorhanden hebben en derhalve aan het witwassen. De overweging van het hof dat de verdachte “in de weken voorafgaand aan de overboekingen op 9 februari 2009 veelvuldig contact heeft onderhouden met betrokkene 2 en betrokkene 6 ”, maakt dat niet anders.

Het eerste middel mist feitelijke grondslag en faalt.

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^