Conclusie AG over ondervragingsrecht

Hoge Raad 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2966

Bij arrest van 16 februari 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de verdachte de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
 

Middel

Het tweede middel behelst de klacht dat de afwijzende beslissing op het verzoek tot het horen van de verbalisant 2 als getuige onvoldoende met redenen is omkleed. Het derde middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, bevat de klacht dat het ondervragingsrecht en het beginsel van ‘equality of arms’ als bedoeld in art. 6 EVRM zijn geschonden. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.
 

Conclusie AG

14. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte een voorwaardelijk verzoek heeft gedaan tot het horen van de verbalisant [verbalisant 2] als getuige. De raadsman heeft dat verzoek als volgt onderbouwd:

“Subsidiair doet de raadsman het voorwaardelijk verzoek om de zaak aan te houden en de verbalisant te horen. Dan kan de verdediging hem vragen wat de instructies zijn geweest en waarop hij baseerde dat de verdachte niet meewerkte.”

15. Het hof heeft het getuigenverzoek afgewezen met de volgende motivering, die in het arrest is opgenomen direct na de hiervoor onder 9 geciteerde overweging:

“Nu het hof tot een bewezenverklaring komt dient het hof het getuigenverzoek te beoordelen. Gelet op het tijdstip waarop de raadsman het getuigenverzoek heeft gedaan, beoordeelt het hof het verzoek aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Het hof acht het - mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen - niet noodzakelijk dat de verbalisant als getuige wordt gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen.”

16. Het verzoek tot het horen als getuige van de verbalisant [verbalisant 2] is een verzoek op de voet van art. 328 en 331 Sv, in verbinding met art. 315 en 415 Sv. Maatstaf bij de beslissing op een dergelijk verzoek is of de noodzaak tot het horen van de getuigen is gebleken. Het hof heeft aldus de juiste maatstaf gehanteerd. Het middel klaagt daarover terecht niet.

17. Het noodzakelijkheidscriterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Bij de vraag in welke mate een afwijzing van een verzoek op de voet van art. 328 en 331 Sv, in verbinding met art. 315 Sv, (nader) dient te worden gemotiveerd, zijn de aard van het onderwerp waarover de getuigen zouden kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hen te horen. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

18. In zijn arresten van 4 juli 2017 heeft de Hoge Raad nadere beschouwingen gewijd aan de onderbouwing van een getuigenverzoek te stellen eisen en de beoordeling van dat getuigenverzoek door de rechter. Daarbij heeft de Hoge Raad ook het ondervragingsrecht, zoals dat is verankerd in art. 6, derde lid, onder d, EVRM, in zijn afwegingen betrokken. In dat verband benadrukt de Hoge Raad dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6, derde lid, onder d, EVRM verzet zich er niet tegen dat deze eis aan de onderbouwing van een zodanig verzoek wordt gesteld. Onder meer in zijn uitspraak in de zaak Poropat tegen Slovenië overwoog het Europese Hof dat “the defendant must, in addition, support his or her request by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth”.

19. In dit verband dient de rechter zich ervan te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal de rechter ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van een getuige, hetzij bij zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.

20. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht geacht en dat het niet noodzakelijk is dat de verbalisant als getuige wordt gehoord. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft verwezen naar “hetgeen hierboven is overwogen”, waarmee is gedoeld op de hiervoor onder 9 geciteerde overwegingen. Daarin overweegt het hof onder meer dat de verbalisant ([verbalisant 2]) zag dat de verdachte inademde in plaats van uitademde en, na daarop te zijn aangesproken, begon te schelden en de ademanalyse niet meer correct wenste uit te voeren. Het hof vond geen steun in het dossier voor de stelling dat de instructies mogelijk niet duidelijk waren dan wel dat het ademanalyseapparaat faalde.

21. In het licht van de gronden van het verzoek, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk. Aan het getuigenverzoek is slechts ten grondslag gelegd dat de verdediging de verbalisant wil vragen welke de instructies zijn geweest en waarop de verbalisant baseerde dat de verdachte niet heeft meegewerkt. Van een verdere onderbouwing is geen sprake geweest. De enkele opmerking van de verdachte, inhoudende dat hij niet begrijpt hoe je kunt inademen en toch een geluid kunt horen, kan bezwaarlijk als een dergelijke onderbouwing worden aangemerkt. Ook overigens ontbreekt een onderbouwing waarom het horen van de verbalisant als getuige van belang kan zijn voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

22. Gelet op het voorafgaande, faalt het tweede middel. Het derde middel, waarin onder meer wordt geklaagd over een schending van het ondervragingsrecht, deelt hetzelfde lot. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit de motivering van het getuigenverzoek niet afgeleid wat de toegevoegde waarde van een ondervraging zou zijn. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd “why it is important for the witnesses concerned to be heard and [why] their evidence must be necessary for the establishment of the truth”. Aan het voorafgaande doet niet af dat de bewezenverklaring in de onderhavige zaak steunt op slechts één bewijsmiddel, te weten een proces-verbaal als bedoeld in art. 344, tweede lid, Sv: een door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal dat de mededeling behelst van feiten of omstandigheden die door hemzelf zijn waargenomen of ondervonden. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 6 EVRM eraan in de weg staat dat een bewezenverklaring steunt op de inhoud van één proces-verbaal als bewijsmiddel zonder dat de opsteller van dat proces-verbaal is ondervraagd, vindt geen steun in het recht, terwijl art. 6 EVRM de verdediging niet ontslaat van de verplichting een getuigenverzoek afdoende te onderbouwen, ook als het gaat om de opsteller van een proces-verbaal als in de onderhavige zaak.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF