Column: Schikken altijd een goede oplossing?

Door Renée Merkus en Samantha Bilgi (van Ardenne & Crince le Roy Advocaten), 

“MOL Europe B.V. betaalt 832.169 euro voor corruptie in Ghana en Ivoorkust”, zo luidt de titel van het persbericht van het Functioneel Parket dat op 12 januari 2018 op de website van het Openbaar Ministerie is geplaatst. Uit het persbericht volgt dat het Openbaar Ministerie het bedrijf MOL Europe B.V. verdenkt van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrifte. In datzelfde persbericht wordt verwezen naar een feitenrelaas met daarin een nadere uitwerking van de verdenking. De schikking die het Openbaar Ministerie met MOL Europe B.V. aanging op basis van een corruptieverwijt kan worden toegevoegd aan de lijst met schikkingen inzake corruptieverwijten, met daarop Vimpelcom Ltd/Silkway Holding B.V., SBM Offshore, Ballast Nedam, Pon’s Automobielhandel, Renault en Peugeot.

Voordelen van een schikking

Het aangaan van schikkingen past op zichzelf in de bestrijding van (al dan niet ambtelijke) corruptie en andere misdrijven. Wij zijn in principe niet tegen schikkingen en zien er zeker de voordelen van in. Zo maakt het aangaan van een schikking een einde aan de onzekerheid en druk die de verdachte kan ervaren ten gevolge van de verdenking van een strafbaar feit omdat lange procedures door het aangaan van een schikking voorkomen worden en daarnaast ontlast het aangaan van een schikking de rechterlijke macht. Het Openbaar Ministerie kan ook niet ‘zomaar’ zaken schikken, maar is in voorkomende gevallen gebonden aan de ‘Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties’ waarbij het uitgangspunt terughoudendheid is.

Nadelen van een schikking

Een schikking aangaan kent echter ook mogelijke nadelen. Het aangaan van een schikking kan de indruk wekken dat vermogende verdachten de vervolging kunnen ‘afkopen’ en daarmee al te gemakkelijk van hun strafzaak afkomen.[1] Daarnaast ontbreekt de rechterlijke controle bij het aangaan van een schikking en worden zaken grotendeels uit de openbaarheid gehouden.[2] De rechter kan de aangegane schikking niet op juistheid controleren en de samenleving wordt daar evenmin toe in staat gesteld. Dit terwijl het ‘toewerken’ naar een schikking mogelijk invloed heeft op het uitgangspunt dat een onderzoek plaatsvindt met het oog op de waarheidsvinding. Schikken –  inclusief het verwerven van de (vaak grote) bedragen die daarmee gepaard gaan – kan een doel op zichzelf worden en een prikkel vormen om op basis van mager onderzoek schikkingsvoorstellen te doen, in de hoop dat de verdachte ‘toehapt’. Pas als de verdachte dat niet doet, wordt grondiger onderzoek gedaan. Voorts kan een verdachte akkoord gaan met een schikking om andere redenen dan dat de verdachte meent zich inderdaad schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Een verdachte kan bijvoorbeeld een dusdanige druk ervaren bij de gedachte aan een langlopende strafrechtelijke procedure met ongewisse afloop, en ter vermijding van een dergelijke procedure akkoord wordt gegaan met een schikkingsvoorstel. Dit terwijl de verdachte meent onschuldig te zijn en er daarnaast een reële kans kan zijn op een vrijspraak. Dat is de keerzijde van het voordeel dat er een einde komt aan de onzekerheid aan de zijde van de verdachte.

Een ander nadeel van het aangaan van schikkingen is dat er geen jurisprudentie wordt voortgebracht over de betreffende zaak. Het aangaan van schikkingen kan daarmee op den duur een bedreiging vormen voor de rechtsontwikkeling.[3] Het materiële strafrecht wordt immers in de rechtspraak nader ontwikkeld en afgebakend. Veranderende maatschappelijke normen kunnen door de rechtspraak worden meegenomen in de toepassing van het recht, waardoor leerstukken tot op zekere hoogte kunnen worden aangepast aan maatschappelijke veranderingen. Specifiek voor niet-ambtelijke omkoping menen wij dat meer jurisprudentie over de inhoud en reikwijdte van deze strafbepaling wenselijk is. Over niet-ambtelijke omkoping is namelijk aanzienlijk minder jurisprudentie beschikbaar dan over ambtelijke omkoping.[4] Juist niet-ambtelijke omkoping behoeft nadere uitkristallisering en afbakening in de rechtspraak. Bijkomend voordeel hiervan is dat meer helderheid over de materiële norm inzake niet-ambtelijke omkoping bedrijven kan helpen om hun compliance-risico’s op dat gebied beter te kunnen beoordelen.

De afweging voor de verdachte

De verdachte hoeft bij zijn of haar belangenafweging uiteraard geen rekening te houden met de meer maatschappelijke voor- of nadelen van schikkingen, maar dat maakt de afweging om wel of geen schikking aan te gaan niet altijd eenvoudiger. Voor de verdachte betekent een schikking aan de positieve zijde vooral duidelijkheid. De keerzijde is voor de verdachte niet alleen dat hij of zij een bedrag moet betalen, maar ook dat de transactie wordt vermeld in de justitiële documentatie. Dat kan voor een verdachte verstrekkende negatieve gevolgen hebben. Voor bedrijven kan dat bijvoorbeeld leiden tot problemen op het gebied van vergunningverlening (BIBOB-problematiek) en uitsluiting van deelname aan aanbestedingen. Voor natuurlijke personen geldt dat er eveneens problemen kunnen ontstaan op het gebied van vergunningverlening en het aangaan van dienstverbanden (VOG-problematiek). Voor bedrijven geldt daarnaast dat het aangaan van een schikking niet betekent dat de betrokken natuurlijke personen – bijvoorbeeld een directeur of een (andere) leidinggevende – niet worden vervolgd. Vervolging van natuurlijke personen kan voor een bedrijf alsnog negatieve consequenties hebben. Er dient aan de zijde van de verdediging dan ook voor worden gewaakt dat een verdachte al te snel het belang om van de zaak af te zijn laat prevaleren boven het belang op een onafhankelijke beoordeling van de strafzaak door een rechter.
 

Voetnoten

[1] Zie voor een voorbeeld van kritiek op dit punt, https://fd.nl/opinie/1133300/laat-schikking-niet-nieuwe-aflaat-worden.

[2] Zie over dit punt bijvoorbeeld http://www.anti-corruptie.nl/actualiteit/2017/rechters-waarschuwen-voor-afdoen-strafzaken-buiten-de-rechtszaal.

[3]Zie ook C.M.I. van Asperen de Boer & M.L. van Duijvenbode, ‘Schikkingscultuur in fraudezaken ondermijnt de rechtsontwikkeling’, NJB 2014/521, afl. 10, p. 641-646.

[4]T.R. van Roomen & E. Sikkema, Corruptiedelicten (Studiepockets strafrecht, nr. 46), Deventer: Wolters Kluwer 2016, onder 4.1.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF