Brief Teeven over voorstel voor een richtlijn over het recht op toegang tot een raadsman

Op 26 juli 2012 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Teeven, door middel van een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gereageerd op de opmerkingen die de Commissie-Meijers en Amnesty International hebben gemaakt over het voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn over het recht op toegang tot een raadsman.

Op dit moment is er voorstel voor een richtlijn waarover nog nader zal worden onderhandeld.
De Commissie-Meijers en Amnesty International maken opmerkingen over de bepaling in het voorstel dat de raadsman aanwezig mag zijn bij het politieverhoor en volgens de regels van het nationale recht daarin mag participeren (artikel 3, derde lid, onder b). Gevraagd wordt of afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn als de nationale wetgever regels mag geven over de participatie van de raadsman in het verhoor.

Teeven heeft er geen bezwaar tegen dat het voorstel het mogelijk maakt om in het nationale recht procedureregels te maken over de wijze van participeren van de raadsman tijdens een verhoor. In dit verband acht hij het van belang dat de preambule van het voorstel aangeeft dat de raadsman vragen mag stellen, opmerkingen mag maken en om verduidelijking mag vragen (overweging 22).

Voornoemde instanties maken voorts opmerkingen over het recht op toegang tot een raadsman in verband met onderzoekshandelingen. De bepaling uit het voorstel houdt in dat lidstaten in hun nationale recht bepalen bij welke onderzoekshandelingen de verdachte het recht heeft om zijn raadsman daarbij aanwezig te laten zijn, onder de voorwaarde dat dit de onderzoekshandelingen niet buitensporig vertraagt en het verzamelen van bewijs niet zal schaden (artikel 3, derde lid, onder c). Gevraagd wordt of hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op toegang tot een raadsman bij onderzoekshandelingen. In de optiek van Teeven is het voorstel in lijn met het Nederlandse recht op dit punt. “In Nederland mag de raadsman bijvoorbeeld aanwezig zijn bij een meervoudige confrontatie of bij het doorzoeken van de woning van de verdachte, maar alleen voor zover dit – naar het oordeel van degene die bevoegd is deze onderzoekshandelingen uit te voeren – het onderzoek niet ophoudt. Dat lijkt mij terecht. Want nodeloos uitstel van onderzoekshandelingen omdat de raadsman niet tijdig verschijnt, moet vermeden worden. Indien de verdachte meent dat ten onrechte niet op de raadsman is gewacht bij de uitvoering van de onderzoekshandeling, kan hij dit verweer aan de zittingsrechter voorleggen die daarover beslist in lijn met de jurisprudentie over schending van vormvoorschriften in het vooronderzoek.”

Volgens het voorstel kan om “dwingende redenen” tijdelijk een uitzondering worden gemaakt op het recht op toegang tot een raadsman (artikel 3, vijfde lid). In reactie op opmerkingen van beide instanties merkt Teeven op dat het voorstel op dit punt in lijn is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (Salduz tegen Turkije, EHRM 27 november 2008, nr. 36391/02, NJ 2009/214). In zijn optiek is dat het – vanzelfsprekend – om uitzonderlijke gevallen moet gaan, in de tekst van het voorstel tot uitdrukking gebracht. 

Amnesty International maakt bezwaar tegen de bepaling uit het voorstel volgens welke de verdachte recht heeft op toegang tot een raadsman “before he is officially interviewed” (o.a. artikel 3, tweede lid, onder a). Door aan te knopen bij een “official interview” zou het gevaar ontstaan dat het recht op toegang tot een raadsman niet zal worden gewaarborgd vanaf het moment dat er enige vorm van ondervraging plaatsvindt, maar in een later stadium.

Teeven: “In reactie hierop kan ik zeggen dat de bedoeling van de gebruikte terminologie is dat niet elke vraag die de politie op straat aan een verdachte stelt – bijvoorbeeld een vraag over zijn identiteit of vragen die verband houden met eventueel wapenbezit – een recht op bijstand van een raadsman activeert. Het moet gaan om vragen aan de verdachte over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, waarbij niet uitmaakt op welke plaats of in welk stadium van de procedure de vraag wordt gesteld (zie overweging 16 in de preambule van het voorstel). Om deze reden deel ik deze zorg van Amnesty International niet.”


Lees hier de hele brief.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF