Bijstandsfraude: Gezamenlijke huishouding o.b.v. eigen verklaring verdachte & het – volgens Nibudnorm – gestegen waterverbruik

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:354

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samenwoonde aan de adres verdachte en met medeverdachte Naam een gezamenlijke huishouding voerde. Volgens de officier van justitie heeft verdachte opzettelijk nagelaten deze informatie te verstrekken aan de gemeente, terwijl zij wist dat deze informatie van belang was voor de vaststelling van haar recht op een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van de bijstandsuitkering. Het benadelingsbedrag voor de gemeente Breda bedraagt ruim € 60.000-.

De officier van justitie baseert zich daarbij op de (stelselmatige) observaties door de sociale recherche van de gemeente Breda, de verklaringen van verdachte en medeverdachte Naam, de verklaringen van diverse getuigen en de gegevens omtrent het waterverbruik van de woningen gelegen aan de adres verdachte en aan het adres 1.

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, de gehele tenlastegelegde periode van 11 april 2011 tot en met 31 oktober 2015 wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie stelt subsidiair dat het primair tenlastegelegde in ieder geval vanaf 12 juni 2014 tot en met 31 oktober 2015 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie volgt 12 juni 2014 als peildatum uit de gegevens omtrent het waterverbruik. De officier van justitie stelt dat in de periode na deze peildatum een extreem laag waterverbruik van de woning van de medeverdachte Naam aan het adres 1 en een hoger waterverbruik van verdachtes woning aan de adres verdachte is gemeten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit voor vrijspraak van het tenlastegelegde en betwist primair uitdrukkelijk dat verdachte en medeverdachte Naam in de periode van 11 april 2011 tot en met 31 oktober 2015 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

De verdediging stelt subsidiair dat van een gezamenlijke huishouding hooguit sprake zou kunnen zijn vanaf april 2015. Voorts stelt de verdediging dat verdachte niet bewust heeft getracht de gemeente Breda te misleiden en dat verdachte alle relevante informatie omtrent haar leefsituatie heeft doorgegeven aan haar contactpersonen bij de gemeente. Derhalve betwist de raadsman dat verdachte haar inlichtingenplicht niet zou zijn nagekomen.

Het oordeel van de rechtbank

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte een strafrechtelijk verwijt in de zin van artikel 227b dan wel artikel 447d van het Wetboek van Strafrecht kan worden gemaakt, in die zin dat verdachte al dan niet opzettelijk heeft verzwegen dat zij samenwoonde dan wel een gezamenlijke huishouding voerde met Naam. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze zaak het volgende voorop.

Sinds 1 januari 2015 geldt de Participatiewet in plaats van de Wet werk en bijstand (WWB). De artikelen 3 en 17 van de Participatiewet, die in deze strafzaak van belang zijn, zijn gelijkluidend aan de artikelen 3 en 17 van de WWB.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet dient de uitkeringsgerechtigde uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze gegevens van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Dit geldt ook voor gegevens die betrekking hebben op het gaan samenwonen met een ander en/of het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een ander. Indien wordt nagelaten deze gegevens tijdig te verstrekken, kan dit leiden tot een strafrechtelijk verwijt in vorenbedoelde zin.

Volgens artikel 3, derde lid, van de Participatiewet is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien (i) de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en (ii) uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander. Daarbij zijn objectieve omstandigheden van belang en niet de subjectieve beleving van de betrokkenen.

Verdachte ontving met ingang van 21 juli 2009 een uitkering op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande ouder plus een toeslag. Verdachte heeft met Naam een kind dat door hem is erkend. Verdachte staat samen met haar twee kinderen ingeschreven op het adres verdachte. Naam staat ingeschreven op het adres 1.

Verdachte heeft op 17 november 2015 verklaard dat zij en Naam sinds een jaar weer wilden samenwonen. Hij kwam elke dag om zijn dochter te zien en bleef 1 tot 2 keer per week slapen. Als ze genoeg had gekookt, at hij mee. Sinds dat zij werkt, is Naam gemiddeld 5 dagen in de week in haar woning en blijft hij ook slapen. Naam gaat meestal mee om boodschappen te doen die zij over het algemeen betaalt. Soms is ze het vergeten en haalt en betaalt Naam de boodschappen. Hij maakt van alle faciliteiten in de woning gebruik. Ze heeft nooit uit eigen beweging gemeld dat ze een gezamenlijke huishouding voerde met Naam.


Naam heeft verklaard dat, sinds verdachte werkt, hij altijd in haar woning is om, tijdens haar afwezigheid, voor de kinderen te zorgen. Buiten die tijdstippen komt hij ook regelmatig in de woning.

Uit het onderzoek met betrekking tot het pand adres 1, blijkt dat het waterverbruik in de periode van 12 juni 2014 tot en met 17 juni 2015 9 m3 bedroeg.

De jaren daarvoor bedroeg het respectievelijk 29 m3, 22 m3 en 29 m3. De Nibudnorm voor een eenpersoonshuishouden bedraagt 46 m3. Het waterverbruik van het pand adres verdachte bedroeg in de periode van 7 juli 2014 tot 12 juni 2015 328 m3. De Nibudnorm voor een driepersoons- en vierpersoonshuishouden bedraagt 127 dan wel 159 m3.

Uit de verklaringen van verdachte en Naam blijkt dat het zwaartepunt van het leven van Naam vanaf enig moment is gaan liggen in de woning van verdachte en er dus sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf.

De rechtbank leidt uit de gegevens met betrekking tot het waterverbruik af dat hiervan sinds 14 juni 2014 sprake is geweest. Vanaf die datum is het waterverbruik in de woning van Naam beduidend afgenomen en lag dit verbruik zelfs ver onder de Nibudnorm voor een eenpersoonshuishouden. In diezelfde periode is het waterverbruik in de woning van verdachte juist beduidend gestegen en ligt het verbruik ver boven de Nibudnorm voor een driepersoonshuishouden.

Verdachte en Naam hebben voor dit verbruik geen aannemelijke verklaring kunnen geven. De rechtbank gaat er dan ook, gelet op de aanwezige bewijsmiddelen, van uit dat zij vanaf 14 juni 2014 een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van verdachte.

De omstandigheid dat Naam met de uitkeringsverstrekkende instantie heeft afgesproken dat hij tijdens de werkzaamheden van verdachte op de kinderen paste, maakt voorgaande niet anders. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat sprake was van een verdergaande situatie dan het enkel op de kinderen passen tijdens de werkzaamheden van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het voeren van deze gezamenlijke huishouding vanaf 11 april 2011. De rechtbank hecht minder waarde aan de verklaringen van verdachte en Naam dat zij vanaf 11 april 2011 een gezamenlijke huishouding voerden, nu het vrij algemene verklaringen betreffen, waaruit niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat gedurende de gehele tenlastegelegde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de wet. Hetzelfde heeft te gelden voor de getuigenverklaringen waarnaar de officier van justitie heeft verwezen.

Daar komt bij, dat uit de verklaring van getuige, afgelegd bij de rechter-commissaris, volgt dat getuige gedurende een periode van twee jaar samen met Naam op het adres 1 heeft gewoond en er in die periode een controle in die woning heeft plaatsgevonden. Uit het memo ter zake blijkt dat er op 11 september 2013 een onderzoek c.q. controle heeft plaatsgevonden in de woningen van verdachte en medeverdachte Naam, waarbij getuige in de woning van Naam werd aangetroffen.. Uit dit onderzoek zijn geen noemenswaardige feiten en omstandigheden gebleken die wezen op het voeren van een gezamenlijke huishouding van verdachte en Naam. Sterker, er wordt gerelateerd dat de kleding, persoonlijke spullen en administratie van Naam in zijn woning aanwezig waren. Ook is niet gebleken dat dit onderzoek consequenties heeft gehad voor de uitkeringen van verdachte of Naam.

Nu verdachte in de ten laste gelegde periode samenwoonde met Naam en zij samen met hem een gezamenlijke huishouding voerde, had zij de gemeente hiervan op de hoogte moeten stellen gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten. Verdachte wist immers, gelet op de (inlichtingen)formulieren die zij maandelijks voor haar uitkering moest invullen, dat deze informatie van belang was voor de beoordeling van haar recht op een bijstandsuitkering dan wel voor de hoogte of de duur van die bijstandsuitkering. Bovendien blijkt uit het dossier dat in het verleden (de hoogte van) haar uitkering verschillende keren is aangepast, omdat zich veranderingen voordeden in de samenwoning met Naam.

Indien men het recht op een uitkering op grond van de sociale zekerheidswetgeving geniet, is men gehouden om te allen tijde gegevens die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op die uitkering aan de betrokken uitkeringsinstantie door te geven. Dit geldt zondermeer indien die gegevens zien op het voeren van een gezamenlijke huishouding. Verdachte heeft evenmin op andere wijze de gemeente op de hoogte gesteld van de gewijzigde woonsituatie.

Naar oordeel van de rechtbank kan het, gelet op de omvang en de intensiteit van het samenwonen, niet anders zijn dan dat verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een uitkering. De rechtbank is daarom van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur.


Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF