Bezwaarschrift ex art. 182 lid 6 Sv. ingediend ná verwijzing door de zittingsrechter naar de RC toch ontvankelijk

Rechtbank Noord-Holland 19 augustus 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:7332

Ontvankelijkheid

Ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 heeft de rechtbank de zaak – open – verwezen naar de rechter-commissaris teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht. De rechtbank heeft daarmee aangegeven dat de rechter-commissaris beslissingsbevoegdheid toekomt om binnen de wettelijke en de door de rechtbank vermelde (in casu geen bijzondere) grenzen bepaalde onderzoeken uit te voeren, zulks ter beoordeling door de rechter-commissaris. Voor zover de rechter-commissaris in dat kader bepaalde beslissingen neemt waarmee de verdediging zich niet kan verenigen, komt de vraag aan de orde of daartegen een rechtsmiddel bij de raadkamer van de rechtbank openstaat of dat de beslissing bij de verwijzende zittingsrechter dient te blijven.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat bezwaarde tegen deze tussentijdse beslissing van de rechter-commissaris een bezwaarschrift kan indienen bij (de raadkamer van) de rechtbank. Het enkele feit dat in artikel 316, lid 3 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering de eerste afdeling van de Derde Titel van dit wetboek niet is vermeld, maakt dat niet anders. In bedoelde afdeling is aan de verdachte het recht toegekend een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten (artikelen 182, lid 6 en 183, lid 3 Sv). Laatstgenoemde artikelen hebben betrekking op het vóóronderzoek (voorheen gerechtelijk vooronderzoek) als er van (een voornemen tot) dagvaarden, laat staan een zittingsrechter, nog geen sprake is. In die zin is het begrijpelijk dat de eerste afdeling van de Derde Titel niet in artikel 316, lid 3, Sv is opgenomen: van vooronderzoek in evenbedoelde zin kan immers in de situatie van artikel 316 Sv geen sprake meer zijn. Het wegvallen van de bij dit wetboek bepaalde mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen staat in het onderhavige geval echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift.

In de thans aan de orde zijnde zaak, waarin een open verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, heeft de zittingsrechter aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om nader vooronderzoek te verrichten dat feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek vóór dagvaarding, mede gelet op de toepasselijkverklaring van tal van bepalingen betreffende de uitvoering van het vooronderzoek in artikel 316 Sv. Als onder deze omstandigheden door de zittingsrechter de voortzetting van het vooronderzoek (weer) aan de rechter-commissaris wordt overgelaten, staat een redelijke wetstoepassing er niet aan in de weg dat de verdediging de bevoegdheid wordt gegeven om een bezwaarschrift in te dienen tegen bepaalde beslissingen van de rechter-commissaris op gelijke wijze als bij het vooronderzoek vóór dagvaarding. Het tegendeel komt de rechtbank onredelijk voor ten opzichte van de verdediging. Op de voet van de artikelen 445 en 446 Sv zou de verdediging bijvoorbeeld na een regiezitting, waarin vorderingen respectievelijk verzoeken van de officier van justitie en de verdediging aan de orde kunnen komen, géén beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris bij de rechtbank kunnen instellen (artikel 445 Sv) en de officier van justitie wèl (artikel 446 Sv). Dit klemt te meer nu artikel 185 Sv (over de regiezitting) zowel van toepassing is op de situatie vóór als ná dagvaarding. Een en ander nog los van de onpraktische gevolgen waarbij in het bijzonder valt te denken aan vertraging van het strafproces, onder meer bestaande uit extra regiezittingen, welk gevolg de wetgever nu juist door de nieuwe wetgeving wil voorkomen. De in de wet verankerde afbakening van de regiefunctie tussen de zittingsrechter en de rechter-commissaris blijft bij dit alles overigens altijd en geheel in handen van de uiteindelijk verantwoordelijke zittingsrechter. Deze immers bepaalt of en op welke wijze zaken naar de rechter-commissaris worden verwezen. Dat kan open gebeuren, zoals in het onderhavige geval, of beperkt, in welk geval bezwaarschriften tegen beslissingen van de rechter-commissaris minder voor de hand liggen.

Gelet op al het voorgaande en gelet op het feit dat het bezwaarschrift binnen veertien dagen na het nemen van de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris is ingediend, is bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.

Het oordeel van de rechtbank

De rechter-commissaris heeft in haar beschikking van 1 augustus 2013 verzoeken van bezwaarde gedeeltelijk toegewezen en het verzoek afgewezen tot het horen van de voorgedragen getuigen 1, 2 en 3. Deze getuigen zijn, aldus de rechter-commissaris, niet eerder gehoord en door de raadsvrouw zou niet zijn aangegeven waar de door de raadsvrouw gestelde eigen wetenschap van deze getuigen uit zou bestaan. Verder zou al uit het dossier blijken dat verdachte (bezwaarde) en het slachtoffer overlast van elkaar hebben ondervonden, er is bovendien kennelijk sprake van gehorige woningen. Overigens zouden andere wel te horen getuigen ook over de gestelde overlast kunnen verklaren.

Bezwaarde heeft in zijn bezwaarschrift aangevoerd dat hij recht en belang heeft dat ten behoeve van zijn verdediging de drie afgewezen getuigen wel worden gehoord omdat het onderzoek zich tot nu toe met name heeft gericht op getuigen á charge. De voorgeschiedenis van het incident zou van belang zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissingen over een eventuele straf of maatregel. De rechter-commissaris heeft ook het nog nader onderbouwde verzoek van de verdediging om de drie genoemde getuigen alsnog te horen niet gehonoreerd.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris voldoende heeft toegelicht op welke gronden zij het verzoek tot het horen van de drie genoemde getuigen heeft afgewezen. Immers, de gestelde geluidsoverlast komt reeds voldoende aan bod op andere wijze dan door het horen van bedoelde drie getuigen. Ook uit het verhandelde in raadkamer kan worden afgeleid dat van het horen van genoemde getuigen kan worden afgezien, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.

De beslissing

De rechtbank verklaart bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF