Bezwaar tegen onthouding processtukken: ontvankelijkheid, maatstaf en wijze van toetsen door de rechter-commissaris.

Rechtbank Amsterdam 26 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5180

De officier van justitie heeft bij brief van 15 april 2013 aan de verdachte medegedeeld dat kennisneming van bepaalde processtukken wordt onthouden. Namens de verdachte is op 22 juni 2013 een bezwaarschrift ex art. 30, vierde lid Sv ingediend. Tevens heeft de raadsman bij brief van 17 juni 2013 toevoeging aan het dossier van een aantal zijns inziens mogelijkerwijs bestaande stukken gevraagd, waar de officier niet in heeft bewilligd. Op 22 juni 2013 is daarop door de raadsman verzocht de officier een termijn te stellen als bedoeld in art. 34, derde lid Sv.

De officier van justitie, mr. H. Oppe, en de raadsman van verdachte, mr. P.C. Tuinenburg, zijn op 4 juli 2013 gehoord naar aanleiding van het bezwaarschrift en het verzoek. Daarna is door officier van justitie mr. B. Wind een proces-verbaal van bevindingen opgesteld en heeft mr. Tuinenburg daar schriftelijk op gereageerd.

Beoordeling

Ten aanzien van het bezwaarschrift tegen de onthouding (art. 30, vierde lid Sv):

Ontvankelijkheid

De mededeling van de officier van justitie dateert van 15 april 2013. De raadsman is bij bezwaarschrift van 20 juni 2013 daartegen opgekomen. Het beroep op niet-ontvankelijkheid door de officier van justitie faalt echter. Art. 30 Sv geeft een termijn van veertien dagen waarbinnen bezwaar tegen de onthouding gemaakt kan worden en daarna steeds na dertig dagen. Een redelijke uitleg van die bepaling, die strookt met de bedoeling van de wetgever, brengt mee dat bezwaar gemaakt kan worden tegen het voortduren van de onthouding, ook al is tegen de onthouding zelf geen bezwaar gemaakt (de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2009-2010, 32 468, nr.3, p. 25). Dat brengt mee dat het onderhavige bezwaarschrift opgevat wordt als te zijn gericht tegen het voortduren van de onthouding.

Toetsing

De te hanteren maatstaf is derhalve of de officier van justitie op goede gronden heeft kunnen besluiten de onthouding voort te laten duren.

De rechter-commissaris is van oordeel dat, anders dan de raadsman stelt, voor de toetsing niet steeds vereist is dat de onthouden stukken alle inhoudelijk beoordeeld worden door de rechter-commissaris. Per geval zal de wijze van toetsen kunnen verschillen. In voorkomende gevallen kan worden volstaan met een overzicht van de onthouden stukken en de globale inhoud daarvan, waarbij de officier van justitie (schriftelijk of mondeling) de stand van het onderzoek alsmede het bij (het voortduren van) de onthouding gemoeide onderzoeksbelang toelicht. Om de beslissing van de rechter-commissaris over de onthouding inzichtelijk te maken, is aangewezen dat een dergelijk overzicht, danwel een afschrift van de integrale onthouden stukken, dan wel een proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris aangaande de onthouden stukken, berust bij de rechter-commissaris en na eindiging van de onthouding aan het strafdossier wordt toegevoegd.

In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris kennis genomen van de inhoud van de onthouden stukken. Daarbij is acht geslagen op het feit dat de onthouding reeds enige tijd voortduurt en in deze zaak een indringender toets op zijn plaats is. Nadat de onthouding geëindigd is, zullen de betreffende stukken aan het dossier toegevoegd worden.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris heeft de officier van justitie de beslissing om de onthouding te laten voortduren op goede gronden kunnen nemen, gelet op het nog steeds bestaande onderzoeksbelang in de samenhangende onderzoeken, mede in het licht van de recente ontwikkelingen. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat, indien de informatie in die stukken bekend zou worden, de waarheidsvinding ernstig belemmerd zou kunnen worden. De rechter-commissaris acht dit aannemelijk geworden. Dat geldt ook voor het (gedeeltelijk) niet vermelden van de aard en omvang van de onthouden stukken. Het onderzoeksbelang omvat immers mede dat door de eventuele subjecten van het onderzoek geen zicht kan worden verkregen op de door de autoriteiten verkende onderzoeksrichtingen en al dan niet aanwezige resultaten daarvan.

De rechter-commissaris betrekt bij zijn oordeel verder dat zowel rechtbank als verdediging beschikken over de stukken waarop naar de huidige stand van het onderzoek A de ernstige bezwaren tegen de onderscheiden verdachten zijn gebaseerd en dat op grond daarvan de verdediging zich tegen die ernstige bezwaren te weer kan stellen. De officier van justitie heeft bovendien ter terechtzitting van 11 juli 2013 medegedeeld dat de onthouden stukken zien op de achtergrond van het conflict of de conflicten die al enige tijd spelen tussen enerzijds een groepering waartoe volgens politie en justitie onder meer de verdachten persoon 1, persoon 2, persoon 3 en verdachte behoren en anderzijds een groepering waartoe onder meer persoon 4 behoort en dat de onthouden stukken geen specifieke belastende of ontlastende elementen voor de verdachten persoon 2, persoon 3 en verdachte bevatten.

De rechter-commissaris onderkent dat de verdediging gehinderd wordt doordat een verzoek om stukken toe te voegen op grond van art. 34 Sv erop afstuit dat van de zijde van het OM niet wordt aangegeven of die stukken al dan niet bestaan. Tevens is het eerder geplande verhoor van het pretense beoogde slachtoffer van de liquidatie persoon 4 niet doorgegaan vanwege het door hem op voorhand ingeroepen verschoningsrecht. Dat betekent echter niet dat de officier van justitie niet heeft kunnen oordelen dat ook thans het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren en de onthouding van stukken moet voortduren.

Dat brengt mee dat het bezwaarschrift ongegrond zal worden verklaard.

De rechter-commissaris merkt nog op dat deze beslissing alleen ziet op het voortduren van de onthouding van de stukken waarop de mededeling van de officier van justitie d.d. 15 april 2013 ziet, zij het dat het onderzoeksbelang dat bij het voortduren van die onthouding is gemoeid wel is bezien in het licht van de ontwikkelingen in de onderzoeken nadien. De officier van justitie heeft zich bij de behandeling van het bezwaarschrift op het standpunt gesteld dat hij op grond van de wet niet is gehouden om spontaan mededeling te doen van onthouding van stukken. Art. 30, derde lid Sv houdt in dat de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken kan onthouden. In het vierde lid van art. 30 Sv is bepaald dat de officier van justitie in dat geval schriftelijk mededeelt dat de verdachte ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn.

Ten aanzien van het verzoek ex art. 34, derde lid Sv

De raadsman heeft de officier van justitie bij brief van 17 juni 2013 verzocht om een aantal mogelijk bestaande stukken als processtuk te voegen op grond van art. 34, eerste lid Sv. De officier van justitie heeft – voor zover hier van belang – een aantal van die verzoeken betiteld als ‘fishing expedition’ en als een poging de aard en omvang van de door hem onthouden stukken alsnog te achterhalen, alsmede de door de autoriteiten gevolgde onderzoeksrichtingen. Nu doet de raadsman aan de rechter-commissaris het verzoek een termijn te stellen op de voet van het derde lid van art. 34 Sv aan de officier van justitie om die stukken aan het dossier toe te voegen.

De rechter-commissaris stelt voorop dat het bij een verzoek tot voegen van stukken als bedoeld in art. 34 Sv moet gaan om specifiek omschreven stukken, zoals dat is neergelegd in het eerste lid van dit artikel. De rechter-commissaris wijst in dit verband verder op de wetsgeschiedenis, waarin ook is omschreven dat het moet gaan om nauwkeurig omschreven stukken. Dit mede om een zogeheten ‘fishing expedition’ van de verdediging te voorkomen, zoals de officier van justitie terecht naar voren heeft gebracht. In het onderhavige geval heeft de verdediging de betreffende stukken wel specifiek omschreven, maar is bij de verdediging niet bekend of die stukken ook daadwerkelijk bestaan en wordt verondersteld dat de stukken zeer wel zouden kunnen bestaan.

In dat verband kan worden opgemerkt dat bij de bespreking van het verzoek van de raadsman, door de officier van justitie is toegelicht dat een aantal van de door de verdediging gevraagde stukken niet bestaat. Dat betreft – kort gezegd - de gevraagde tapgesprekken door persoon 4, persoon 1, persoon 2, persoon 3 en verdachte en een onderzoek naar de inhoud van de telefoon die onder persoon 1 in beslag is genomen.

BOB-stukken

Door de raadsman is toevoeging aan het strafdossier gevraagd van bestaande historische telefoongegevens van de hiervoor genoemde personen. Die stukken vallen echter onder de bijzondere regeling van art. 126aa Sv, zodat de rechter-commissaris ten aanzien daarvan niet bevoegd is om de officier van justitie een termijn als bedoeld in artikel 34, derde lid Sv te stellen. Voor wat betreft dit onderdeel, dient het verzoek van de raadsman derhalve te worden afgewezen.

CIE-informatie

De raadsman heeft verzocht aan het strafdossier toe te voegen stukken over het nadere onderzoek dat de CIE heeft verricht teneinde de informatie van één of meer informanten te veredelen en waarvan de uitkomst in de door de officier van justitie aan het dossier toegevoegde CIE-verbalen is vermeld. Door de CIE-officier mr. Wind is ten aanzien van die stukken een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat bij de stukken is gevoegd. Daarin is kort gezegd als standpunt ingenomen dat die stukken niet als processtuk dienen te worden aangemerkt. Als subsidiair standpunt is bepleit dat indien die stukken wel als processtuk worden beschouwd, deze wegens de in art. 187d Sv bedoelde afschermingsbelangen niet aan het dossier toegevoegd dienen te worden, weshalve een machtiging als bedoeld in art. 34, vierde lid Sv wordt gevorderd.

Voor de beoordeling van dit onderdeel van het verzoek is van belang het kader van de bepalingen over de werkwijze van de CIE en de verslaglegging daarvan. Verwezen wordt naar het Besluit verplichte politiegegevens in samenhang met de Wet politiegegevens.

Die regelingen kaderen de werkwijze van de CIE in voor wat betreft de wijze waarop door de CIE criminele informatie wordt verzameld, opgeslagen en bewaard. Tevens wordt de wijze bepaald waarop de op deze wijze vergaarde informatie beschikbaar wordt gemaakt voor de opsporing. Die regeling verschilt nadrukkelijk van de wijze waarop langs normale weg vergaarde informatie van de politie wordt opgeslagen en geverbaliseerd, vanwege de bij deze vorm van inlichtingenvergaring benodigde afscherming. Daaruit vloeit voort dat in een met waarborgen omklede procedure een zorgvuldige selectie wordt gemaakt van de informatie die in een proces-verbaal wordt neergelegd en in voorkomende gevallen aan een strafdossier toegevoegd zal kunnen worden. Meer informatie dan in een dergelijk proces-verbaal van verstrekking van CIE-informatie is vervat, kan vanwege de afscherming van de bronnen van die informatie per definitie niet verstrekt worden. Omdat een verdergaande beoordeling van de informatie en de verkrijging daarvan niet mogelijk is, is ook bepaald dat een dergelijk proces-verbaal niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Die uitzonderingspositie heeft naar het oordeel van de rechter-commissaris tot gevolg dat de veredelingsinformatie van de CIE geen processtuk is als bedoeld in artikel 149a Sv. Dat brengt mee dat ook dit onderdeel van het verzoek dient te worden afgewezen.

Verhoren persoon 4

De raadsman heeft verzocht aan het strafdossier toe te voegen de mogelijk bestaande processen-verbaal van de overige verhoren van persoon 4.

De officier van justitie wil van die stukken niet zeggen of ze bestaan en wil ook geen mededelingen doen over de vraag of die stukken - als ze bestaan - tot de thans nog onthouden processtukken behoren.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris valt ten aanzien van deze stukken een viertal mogelijkheden te onderscheiden:

  • De processen-verbaal bestaan in het geheel niet. Tijdelijke onthouding op de voet van art. 30 Sv is niet aan orde, en het stellen van een termijn of het verlenen van een machtiging als bedoeld in art. 34 Sv evenmin.
  • Dergelijke processen-verbaal bestaan wel maar zijn door de officier van justitie (nog) niet aangemerkt als processtuk in de onderhavige zaak. Ook dan is een termijnstelling als bedoeld in art. 34, derde lid Sv niet aan de orde, evenmin als een machtiging op de voet van art. 34, vierde lid Sv. De processen-verbaal kunnen in dat geval ook niet worden gerekend tot de onthouden stukken.
  • De processen-verbaal bestaan wel en de officier van justitie beschouwt die ook als processtuk in de onderhavige zaak, maar onthoudt die tijdelijk.
  • De stukken bestaan en zijn door de officier van justitie aangemerkt als processtuk in de onderhavige zaak maar dienen op grond van een of meer van de in art. 187d Sv genoemde belangen afgeschermd te blijven. Daarvoor is een machtiging vereist van de rechter-commissaris, maar tijdelijke onthouding als bedoeld in artikel 30 Sv kan zich dan niet voordoen.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris kan echter in het kader van de beoordeling van het verzoek van de verdediging niet worden aangegeven in welke van deze categorieën de stukken waar het verzoek op ziet zich bevinden. Dat zou immers afbreuk doen aan het onderzoeksbelang dat de officier van justitie heeft bij het voortduren van de onthouding van niet nader aangeduide processtukken, omdat daarmee inzicht zou worden verschaft in de omvang en aard van die onthouden processtukken en daarmee van de door politie en openbaar ministerie onderzochte opsporingsrichtingen.

Tegen die achtergrond heeft de rechter-commissaris niet de inhoudelijke toets naar de relevantie van deze mogelijkerwijs bestaande stukken uitgevoerd waar de raadsman op aandrong omdat daarvoor onder de gegeven omstandigheden geen noodzaak bestaat. De slotsom luidt dat ook het onderdeel van het verzoek van de raadsman om een termijn te stellen om de mogelijk bestaande nadere verhoren van persoon 4 aan het dossier toe te voegen thans dient te worden afgewezen.

Beslissing

De rechter-commissaris verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

De rechter-commissaris wijst het verzoek om een termijn te stellen als bedoeld in art. 34, derde lid Sv, af .

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF