Bewegen tot afgifte van fietsen, gebakjes en bonbons: HR herhaalt lat die wordt gelegd aan oplichtingsmiddelen.

Hoge Raad 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:27

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, waarbij verdachte wegens parketnummer 16-122268-15 feit 2 is vrijgesproken en wegens parketnummer 16-181286-14 feit 1 oplichting, parketnummer 16-122268-15 feit 1 oplichting, parketnummer 16-193722-13 feit 1 en feit 2 oplichting is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met dien verstande dat het hof de verdachte in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk heeft verklaard en voorts het vonnis waarvan beroep in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 1 de gronden heeft aangevuld en in de zaak met parketnummer 16-181286-14 de gronden heeft verbeterd.

Tweede middel

Het middel komt op tegen de in de zaak met parketnummer 16/193722-13 bewezenverklaarde oplichting.

Het middel klaagt dat (i) geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte, nu het enkele ‘zich voordoen als bonafide klant’, niet kan worden beschouwd als het aannemen van een valse hoedanigheid, en voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk (handels-)verkeer gebruikelijk verwachtingspatroon en (ii) er geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels nu de enkele leugen, bestaande in de mededeling van verdachte dat zijn bankpas beschadigd was, terwijl niet is vastgesteld dat dat niet waar was, daarvoor niet voldoende is en de bewezenverklaring ook voorts ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de verdachte, door bij de aflevering van de eerder door hem bestelde fietsen te zeggen dat hij het verschuldigde bedrag wilde pinnen maar dat zijn bankpas kapot was en door toe te zeggen het verschuldigde bedrag over te maken op de bankrekening, de aangever en de fietsenwinkel door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot de afgifte van twee fietsen. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte de fietsen bewust niet heeft betaald en ze vervolgens heeft doorverkocht.

Bij het gebruik van een samenweefstel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen (vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, rov. 2.3.2).

Uit de omstandigheden blijkt dat de verdachte aan de aangever een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken heeft gepresenteerd. Gelet hierop geeft 's Hofs oordeel dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

In de beslissing van het Hof ligt voorts als zijn oordeel besloten dat betrokkene 1 en fietsenwinkel A

door verdachtes handelen zijn bewogen tot de afgifte van de fietsen en dat in het onderhavige geval de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid niet tot een ander oordeel noopt. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt ook in zoverre.

Derde middel

Het hof heeft in zijn arrest onder de kop “Overweging met betrekking tot het bewijs” (pagina 2) nog het volgende overwogen:

“Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof, in aanvulling op het vonnis van de politierechter, het volgende.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij een reële bestelling van 45 gebakjes voor de verjaardag van zijn tante heeft gedaan ongeloofwaardig. Deze bestelling was naar het oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvorm slechts bedoeld om - zonder hiervoor meteen te hoeven betalen - de afgifte van bonbons en gebak te bewerkstelligen. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte zich ten onrechte heeft voorgedaan als bonafide klant en aldus zonder betaling bonbons en gebak heeft meegekregen.”

Het middel klaagt, gelijk aan het tweede middel, dat er ook ten aanzien van dit feit (i) geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte, nu het enkele ‘zich voordoen als bonafide klant’, niet kan worden beschouwd als het aannemen van een valse hoedanigheid, en voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk (handels-)verkeer gebruikelijk verwachtingspatroon en (ii) er geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels nu de enkele leugen, bestaande in de mededeling van verdachte dat hij het gebak en de bonbons zou betalen als hij de dag erna een andere bestelling op zou komen ophalen, daarvoor niet voldoende is en de bewezenverklaring ook voorts ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte door als een bonafide klant een bestelling te plaatsen van in elk geval 45 gebakjes de medewerker van de banketbakkerij heeft bewogen tot afgifte van 3 gebakjes en bonbons. In dat verband heeft het Hof tevens vastgesteld dat de verdachte bij het plaatsen van de bestelling een valse naam en een vals adres heeft opgegeven alsmede een telefoonnummer waarvan later bleek dat het niet in gebruik was. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte heeft gezegd dat hij bij het ophalen van de bestelling het verschuldigde bedrag in één keer zou voldoen, waarna hij drie gebakjes en bonbons heeft meegenomen zonder deze te betalen, in welk verband het Hof heeft overwogen dat dat die bestelling slechts was bedoeld om - zonder hiervoor meteen te hoeven betalen - de afgifte van bonbons en gebak te bewerkstelligen.

Gelet op deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, en in aanmerking genomen hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157 en ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, heeft overwogen, geeft 's Hofs oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF