Bevoegdheden op grond van de Wegenverkeerswet

Rechtbank Noord-Holland 1 juli 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:6766

Op 25 februari 2011 is in loods 6 te Beverwijk een professioneel ingerichte hennepstekkenkwekerij aangetroffen. De partner van verdachte, was hierbij betrokken; hij heeft onder meer de kwekerij gebouwd. Voornoemde loods werd sinds 1 oktober 2008 gehuurd door medeverdachte 1. De opbrengsten van de hennepstekkenkwekerij werden door de partner van verdachte en een aantal medeverdachten gedeeld. Tijdens een doorzoeking op 28 november 2011 in de woning te Amsterdam van verdachte en de partner van verdachte werd, verstopt in een schoorsteen, een bedrag van €10.350,- aangetroffen. Verdachte wist dat het geld daar verstopt was. Uit gegevens van de belastingdienst kwam naar voren dat de partner van verdachte in 2009 en 2010 geen inkomsten uit arbeid heeft gehad. In de periode van 1 januari 2006 tot 14 oktober 2011 werden wel contante stortingen gedaan op rekeningen van partner. Uit gegevens van de belastingdienst kwam naar voren dat verdachte over de periode 2008 tot 2010 geen aangifte inkomstenbelasting had gedaan en er geen loon- en rentegegevens van verdachte bekend zijn.

Tevens werden in de woning op diverse plekken, in onder meer de gangkast, badkamer en keuken zakken met henneptoppen aangetroffen.

Verdenking

Aan verdachte is tenlaste gelegd dat:

Feit 1: zij in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 28 november 2011 te Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of een auto (merk Land Rover) en/of een scooter en/of overige vermogensbestanddelen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die auto en/of scooter en/of die overige vermogensbestanddelen gebruik gemaakt, terwijl zij wist(en) dat boven- omschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten onder andere uit hennephandel en/of hennepteelt);

Feit 2: zij op of omstreeks 28 november 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in haar, verdachtes, woning in Amsterdam) drie, althans een of meer zakken hennep(top(pen)), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Beroep op niet-ontvankelijkheid OvJ

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de politie in het kader van de opsporing haar bevoegdheden te buiten is gegaan. Het is de raadsman niet duidelijk waar de politie met de anonieme informant heeft gesproken. Evenmin weet de raadsman op grond van welke bevoegdheid de waterpolitie het pand aan de a-straat te Beverwijk heeft geobserveerd, nu dit pand niet aan het water ligt.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van slechts een anonieme tip de doorzoeking van genoemd pand heeft plaatsgevonden. Er was derhalve geen redelijk vermoeden van schuld dat de doorzoeking rechtvaardigde.

In de derde plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de politie, door de auto van betrokkene te controleren op grond van de Wegenverkeerswet misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.

Zowel afzonderlijk als tezamen rechtvaardigen deze tekortkomingen de conclusie dat doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, tekort is gedaan aan haar recht op een eerlijk proces. Daarnaast is in strijd gehandeld met de strekking en achtergrond van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden en met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van 2 februari 2011 hebben agenten van het KLPD, dienst waterpolitie, op 27 januari 2011 en op 1 februari 2011 een tweetal anonieme meldingen ontvangen dat er in het bedrijfspand aan de a-straat te Beverwijk dingen gebeurden die niet in de haak waren met name tussen 5-7 uur ’s ochtends en dat daar duistere praktijken aan de gang waren. Blijkens het proces-verbaal van 7 februari 2011 vormden deze meldingen van de mogelijke aanwezigheid van een hennepplantage aanleiding voor de observatie van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de agenten van de waterpolitie buiten de grenzen van hun bevoegdheden zouden hebben gehandeld. Niet aannemelijk is geworden dat de agenten onbevoegd een terrein zouden hebben betreden om de informant te spreken. Op grond van artikel 2 Politiewet (oud) zijn de agenten bevoegd om in het kader van hun werkzaamheden een pand (niet-stelselmatig) te observeren.

Uit het dossier blijkt dat de doorzoeking, anders dan de raadsman stelt, niet op basis van slechts een anonieme tip heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van twee anonieme meldingen en de bevindingen bij de observatie op 7 februari 2011, alsmede de controle van de auto van betrokkene, is een warmtebrononderzoek gedaan. Daaruit bleek dat een warmtebron aanwezig was op de a-straat te Beverwijk, die meer hitte/warmte veroorzaakte dan andere warmtebronnen aanwezig in de omliggende loodsen. De warmtebron behoefde nader onderzoek om vast te stellen of ter plaatse een hennepkwekerij aanwezig was. Aldus ontstond een redelijk vermoeden van schuld inzake overtreding van de Opiumwet, welk vermoeden de grondslag vormde voor de doorzoeking waarbij daadwerkelijk een hennepstek- kenkwekerij werd aangetroffen.

Ten aanzien van de stelling dat de politie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden door betrokkene op grond van de Wegenverkeerswet te controleren, overweegt de rechtbank als volgt. De opsporingsambtenaren waren op grond van artikel 160 WVW 1994 bevoegd om een stopteken te geven en betrokkene naar haar identiteitsgegevens te vragen, hetgeen zij ook gedaan hebben. In casu hebben de opsporingsambtenaren hun bevoegdheid dus in elk geval mede uitgeoefend ter controle van naleving van de verkeersvoorschriften. Het feit dat er ook informatie was over mogelijke betrokkenheid van betrokkene bij een strafbaar feit, doet daar niet aan af. De controlebevoegdheid is in elk geval niet uitsluitend aangewend voor opsporingsdoeleinden, zodat van misbruik van die bevoegdheid geen sprake kan zijn. Voor het vervolgens doorzoeken van de auto heeft be- trokkene overigens toestemming gegeven.

De door de raadsman aangevoerde stellingen kunnen gelet op het hiervoor overwogene noch zelfstandig, noch in samenhang, leiden tot de conclusie dat sprake is van enig vormverzuim. Aan verdere toepassing van het Zwolsman-criterium komt de rechtbank niet toe.

Ook overigens is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing daar- van.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook de met deze samenhangende zaak:

 

Print Friendly and PDF