Bevoegd gerecht in geval van verzoek teruggave conservatoir beslag

Gerechtshof Amsterdam 9 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5699

De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft op 25 april 2014 vonnis gewezen in de strafzaak met parketnummer 15-840076-13 tegen echtgenoot. De rechtbank heeft toen niet beslist over het beslag op voornoemd geldbedrag. echtgenoot heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 27 augustus 2015 in de strafzaak met parketnummer 23-001941-14 heeft dit gerechtshof het vonnis in hoger beroep bevestigd. Namens echtgenoot is tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 6 september 2016 van de Hoge Raad der Nederlanden is het cassatieberoep van echtgenoot verworpen.

Jegens echtgenoot is een ontnemingsprocedure aanhangig gemaakt, op het geldbedrag rust in dat kader conservatoir beslag.

De raadkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft het klaagschrift van klaagster bij beschikking van 30 januari 2014 ongegrond verklaard omdat het belang van strafvordering zich tegen de teruggave van het geldbedrag verzette.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de beklagzaak, alsmede in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer en heeft op 11 november 2016 de advocaat-generaal, de klaagster en de advocaat van de klaagster ter gelegenheid van de openbare behandeling van het klaagschrift in raadkamer gehoord.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd dat het gerechtshof op grond van het bepaalde in artikel 552a, derde lid, Sv niet bevoegd is het klaagschrift te behandelen. Deze zaak moet worden aangebracht bij de rechtbank, gelet op het feit dat de ontnemingsprocedure daar aanhangig is.

De advocaat heeft in raadkamer opgemerkt dat hij het klaagschrift bij het gerechtshof heeft ingediend op het moment dat hij nog niet wist dat een ontnemingszaak aanhangig was gemaakt.
 

Beoordeling

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot het geldbedrag waarop conservatoir beslag ex artikel 94a, tweede lid, Sv is gelegd, niet het hof maar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, bevoegd is tot kennisneming van het klaagschrift.

Het geldbedrag is onder echtgenoot in beslag genomen in het kader van een ontnemingsvordering. Een redelijke uitleg van artikel 552a, derde lid, Sv, in het bijzonder van de daarin voorkomende term 'vervolging', brengt mee dat het klaagschrift had moeten worden ingediend bij genoemde rechtbank, waar het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) is ingesteld.

Een andere uitleg van deze bepaling heeft immers als ongewenst gevolg dat het hof zou moeten beslissen over een klaagschrift dat betrekking heeft op een beslaglegging in het kader van een SFO, waar het verder geen enkele bemoeienis mee heeft zolang niet tegen de eventuele ontnemingsbeslissing hoger beroep is ingesteld, terwijl een andere rechter zich buigt over het SFO en de ontnemingsvordering.

Dit leidt tot de slotsom dat het hof zich onbevoegd zal verklaren. Het hof zal de griffier opdracht geven het klaagschrift door te zenden naar genoemde rechtbank.
 

Beslissing

Het hof verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het klaagschrift en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor de behandeling ervan met inachtneming van deze beschikking.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF