Betrokkenheid bij het doen van een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting door de opname van een herinvesteringsreserve

Rechtbank Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0057 Verdenking

Verdachte wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met een of meer anderen feitelijke leiding heeft gegeven aan het doen van onjuiste aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2002, 2003 en 2004 door Interstate International N.V., waardoor een te laag bedrag aan belastbare winst is aangegeven met als gevolg dat te weinig belasting is geheven.

Inleiding

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat Interstate International N.V. op 28 augustus 2002 voor € 6.025.000,- van Marshal Sarl een pand aan het Janskerkhof in Utrecht heeft gekocht. Marshal Sarl verhuurde dit pand aan een onderneming die er een hotel en een horecabedrijf in exploiteerde. Op 2 september 2002 heeft Interstate het pand voor een bedrag van € 6.675.000,- doorverkocht aan Monumentenvennootschap De Koopman van Utrecht N.V. De transportakten voor beide transacties zijn op een en dezelfde dag gepasseerd. In de aangifte vennootschapsbelasting over 2002 heeft Interstate een herbestedingsreserve van € 645.266 voor dit pand opgenomen. Daarmee beoogde zij een herinvesteringsreserve (HIR) te creëren. In 2003 en 2004 heeft Interstate een herinvesteringsreserve voor hetzelfde bedrag in haar jaarcijfers opgenomen.

In deze zaak gaat het in essentie om de vraag of Interstate opzettelijk onjuiste aangiften Vpb over de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft gedaan en zo ja, of verdachte daaraan (mede) feitelijke leiding heeft gegeven.

Standpunt Openbaar Ministerie 

De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn overgelegde schriftelijk requisitoir en onder verwijzing naar een bewijsmiddelenoverzicht gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit voor het belastingjaar 2002. Wat de belastingaangiften over de jaren 2003 en 2004 betreft heeft hij vrijspraak gevorderd vanwege onvoldoende bewijs van betrokkenheid van verdachte bij het doen van deze belastingaangiften.

Standpunt verdediging 

De belastingaangiften zijn correct, omdat terecht een HIR is opgenomen. Ten tijde van de aankoop van het pand in 2002 bestond het voornemen in het pand voor eigen risico te beleggen. Het pand vormde daarom een bedrijfsmiddel voor Interstate. Daar veranderde niets aan door de verkoop van het pand in hetzelfde jaar.

Voor zover onjuiste belastingaangiften zijn ingediend, heeft Interstate dat niet opzettelijk gedaan. De belastingaangiften waren in dat geval gebaseerd op een onjuist advies van haar belastingadviseurs, waarop zij mocht vertrouwen.

Verder heeft verdachte geen feitelijk leiding gegeven aan het doen van de onjuiste belastingaangiften. Vanaf 2003 bemoeide verdachte zich nauwelijks meer met Interstate vanwege zijn vertrek naar Japan. Hij had ook geen bevoegdheid beslissingen te nemen over het indienen van belastingaangiften. Verdachte had bovendien onvoldoende fiscale kennis om te beoordelen of de belastingaangiften juist of onjuist waren.

Ten slotte is als gevolg van de onjuiste belastingaangifte niet te weinig belasting is geheven. Interstate beschikte over compensabele verliezen, waardoor de te betalen belasting nihil was.

Oordeel van de rechtbank 

Onjuiste belastingaangifte 

De belastingdienst heeft terecht vastgesteld dat Interstate als gevolg van het opnemen van de HIR in de belastingaangifte Vpb 2002 een onjuiste belastingaangifte heeft ingediend. Uit het dossier blijkt niet dat Interstate ten tijde van de aankoop het voornemen had zelf in het pand een hotel en horeca te exploiteren. Nu het pand voorts in zeer korte tijd is doorgeleverd, moet worden vastgesteld het pand geen bedrijfsmiddel in de zin van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 was. Dat Interstate voornemens was het pand als belegging aan te houden, doet, wat daarvan ook zij, daaraan niet af. Overigens blijkt dat ook niet uit het dossier. Evenmin is gebleken dat op het moment van verkoop van het pand het voornemen bestond binnen drie jaar in een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 3.54 wet IB 2001 te herinvesteren.

Opzet

De vraag is vervolgens of Interstate deze onjuiste belastingaangifte opzettelijk heeft gedaan.

Op 8 april 2004 heeft de belastingdienst de aangifte Vpb 2002 van Interstate ontvangen. A van Brada Kuttner Advocaten & Belastingadviseurs heeft de conceptbelastingaangifte Vpb 2002 onder begeleidend schrijven aan Interstate t.a.v. de directie gestuurd. In deze conceptaangifte Vpb 2002 was geen HIR opgenomen. De belastingadviseur schrijft in deze brief onder meer: “Omdat de vennootschap zelf geen onroerende zaken exploiteert, is voor de behaalde boekwinst op verkoop van onroerende zaken geen herinvesteringsreserve gevormd. Indien er echter een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen aanwezig is, dan kunnen wij dit alsnog verwerken.”

Uit verklaringen van B en C blijkt dat vervolgens een bespreking op kantoor van accountant THW, de accountant van Interstate, heeft plaatsgevonden, waar de concept aangifte Vpb 2002 is besproken. Bij deze bespreking waren in ieder geval B en C aanwezig.

De belastingadviseur van Interstate heeft vervolgens onder begeleidend schrijven een herziene aangifte Vpb 2002 met daarin een HIR opgesteld en verstuurd naar de directie van Interstate. Ter toelichting schrijft de belastingadviseur in zijn begeleidende brief: “Hoewel de vennootschap thans geen onroerende zaken exploiteert, is voor de behaalde boekwinst op uw verzoek toch een herinvesteringsreserve gevormd. De directie dient er daarom voor zorg te dragen dat er een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen aanwezig is. Ook specificatie 3 (aandeelhouders) is naar aanleiding van onze laatste bespreking aangepast.”

Uit deze brief volgt dat de HIR op verzoek van Interstate in de belastingaangifte Vpb 2002 is opgenomen. De belastingadviseur wijst Interstate in de brief van 2 april 2004 erop dat er een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen moet zijn. Het verweer dat Interstate zich niet bewust was dat de HIR ten onrechte werd opgenomen in de belastingaangifte, slaagt daarom niet.

C was als fiscalist juist specifiek met het oog op fiscale onderwerpen aangesteld als (middellijk) directeur van Interstate . Hij wist, of had op zijn minst moeten weten, dat de HIR ten onrechte in de belastingaangifte werd opgenomen, te meer na de opmerkingen daarover van belastingadviseurs B en A. Dat B en A door het tuchtorgaan van de NOB een waarschuwing hebben gekregen, omdat zij de HIR niet zonder feitelijke onderbouwing in de aangifte Vpb 2002 hadden mogen opnemen, doet aan het voorgaande niet af. Uit het voorgaande volgt dat Interstate opzettelijk een onjuiste aangifte Vpb 2002 heeft gedaan door een HIR op te nemen van € 645.266. Dat geldt dus ook voor de aangiften Vpb 2003 en 2004.

Feitelijke leiding

De rechtbank is voorts van mening dat verdachte en C bewust en nauw hebben samengewerkt. Deze bewuste en nauwe samenwerking heeft er in geresulteerd dat Interstate bewust een onjuiste aangifte Vpb 2002 heeft ingediend.

Strekkingsvereiste

Toen Interstate in 2004 de belastingaangifte Vpb 2002 indiende, betwistte de belastingdienst de compensabele verliezen uit eerdere jaren. Interstate kon als gevolg daarvan op dat moment haar winst niet met eerdere verliezen compenseren. Over de behaalde winst zou zij in 2002 € 221.368 vennootschapsbelasting zijn verschuldigd. De opname van de HIR strekte ertoe dat € 645.266 minder winst werd behaald, waardoor €221.368 minder belasting zou worden geheven. Het is niet voorstelbaar dat verdachte en Interstate zich niet hebben gerealiseerd dat hun handelen de gerede mogelijkheid meebracht dat te weinig belasting zou worden geheven. Dat de belastingdienst in een situatie waarbij de compensabele verliezen ter discussie worden gesteld, mogelijk uitstel van betaling van de verschuldigde belasting zou hebben verleend, doet aan het voorgaande niet af. Evenmin doet daaraan af dat de bestuursrechter uiteindelijk heeft geoordeeld dat Interstate over compensabele verliezen beschikte, waardoor alsnog over het jaar 2002 geen belasting was verschuldigd. Daarnaast zou acceptatie van de HIR ertoe hebben geleid dat de compensabele verliezen niet in 2002 werden aangewend, maar mogelijk later, waardoor dan te weinig belasting zou zijn betaald, indien winst werd behaald.

Vrijspraak voor 2003 en 2004 

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte bemoeienis had met de aangiften Vpb 2003 en 2004. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Conclusie

De conclusie luidt dat verdachte tezamen en in vereniging feitelijk leiding aan het doen van een onjuiste aangifte Vpb 2002 door Interstate heeft gegeven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat Interstate International N.V. in de periode van 1 maart 2004 t/m 15 mei 2006 in Nederland opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de AWR, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2002, onjuist heeft gedaan, immers heeft Interstate International N.V. opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Amsterdam ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemd jaar een te lage belastbare winst opgegeven, door een herinvesteringsreserve van € 645.266 op te nemen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met een ander, feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 47.500.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF