Bestuurlijke sanctie (alcoholslot) staat ontvankelijkheid verzoek 89 Sv niet in de weg. Valt niet onder "zaaksbegrip".

Gerechtshof Amsterdam 26 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1571

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van in totaal €12.538,81 ter zake van:

  • kosten voor vervangend vervoer €710,80;
  • kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de klaagschriftprocedure met registratienummer 14/002783 ten bedrage van €2.204,18;
  • kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van €6.911,26;
  • schade ten gevolge van tijdverzuim ten bedrage van €2.092,50;
  • reiskosten ten bedrage van €54,80;
  • reiskosten zijnde parkeerkosten ten bedrage van €15,27;
  • kosten van de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van €550,00.

De advocaat heeft de toewijzing van het verzoek bepleit.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van appellante in haar verzoek, primair omdat dit niet tijdig is ingediend, subsidiair omdat de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, nu aan appelante een alcoholslot is opgelegd en dit moet worden gezien als een punitieve sanctie. Meer subsidiair heeft zij geconcludeerd dat geen gronden van billijkheid bestaan voor toewijzing van het verzoek.

Het hof overweegt als volgt.

Een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 591a Sv dient op grond van het bepaalde in het vierde lid van dat artikel, juncto het bepaalde in artikel 591, tweede lid, Sv binnen drie maanden na beëindiging van de zaak te worden ingediend.

Op 3 november 2015 is het Openbaar Ministerie door de Rechtbank Noord-Holland niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging in de onderhavige strafzaak. Deze uitspraak is op 18 november 2015 onherroepelijk geworden. Eerst op dat moment is de strafzaak beëindigd. Het verzoekschrift is ingediend op 3 februari 2016. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het verzoek derhalve tijdig ingediend en is appellante in haar verzoek ontvankelijk. Het hof acht het hoger beroep gegrond. Dit brengt mee dat de beschikking waarvan beroep moet worden vernietigd. Het hof zal bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de bestuursrechtelijke procedure tegen appellante niet kan worden begrepen onder het begrip ‘zaak’ als bedoeld in artikel 591a Sv. Het hof leidt dit af uit het systeem van de wet en de bewoordingen van het eerste lid van deze bepaling, waarin wordt gesproken over ‘de gewezen verdachte’, waarmee wordt gedoeld op de persoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek en/of een strafrechtelijke vervolging werd ingesteld.

Een bestuursrechtelijke procedure, wat er zij van het al dan niet punitieve karakter daarvan, houdt met de strafzaak geen juridisch relevant verband (zie ook HR 8 mei 2001, NJ 2001, 509). Dit is wat betreft artikel 164, lid 9 van de WVW 1994 niet anders (verg. de conclusie van de AG Bleichrodt bij HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757, p. 15). De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden. Appellante is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

Het hof zal het verzoek met uitzondering van de kosten gemaakt in verband met het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het verzoek, echter afwijzen. Appellante heeft in de avond van 29 augustus 2014 een auto bestuurd, nadat zij, ook volgens haar eigen verklaring, alcohol had gedronken. De uitslag van het op die dag uitgevoerde ademonderzoek hield in dat de alcohol in de adem van appellante ongeveer 710 µg/l bedroeg. Na kennisneming van dit resultaat heeft zij niet om een tegenonderzoek verzocht. Aldus heeft zij de invordering en inhouding van haar rijbewijs en het instellen van een strafrechtelijke vervolging aan zichzelf te wijten. De Rechtbank Noord-Holland heeft het klaagschrift tegen de inhouding van dat rijbewijs slechts gegrond verklaard, omdat appellante daarover diende te beschikken om aan het alcoholslotprogramma van het CBR te kunnen deelnemen. Dezelfde rechtbank heeft vervolgens de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging omdat – zo neemt het hof aan, gelet op hetgeen het dossier daaromtrent inhoudt – door het CBR aan appellante deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande geen gronden van billijkheid bestaan tot vergoeding van de kosten die appellante in het kader van de strafzaak en de klaagschriftprocedure op de voet van artikel 164, negende lid, WVW, heeft gemaakt.

Nu sprake is van een situatie waarin het recht op schadevergoeding als bedoeld in artikel 591a Sv naar billijkheid dient te worden beoordeeld en er geen sprake is van een verzoek dat in weerwil van andersluidende jurisprudentie is ingediend, zijn gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de vergoeding ten aanzien van de kosten van het opstellen, indienen en in twee instanties in raadkamer toelichten van dat verzoekschrift tot het standaardbedrag van €830,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF