Bestuurder wegens bedrieglijke bankbreuk veroordeelt tot deels onvoorwardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde verplichting tot terugbetaling gedupeerde aandeelhouder conform veroordeling verdachte als prive-persoon in civiel vonnis

Rechtbank Zwolle 16 december 2008, LJN BY8883 (gepubliceerd op 18 januari 2013) Verdachte wordt verdachte van en is veroordeeld terzake

  1. Bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte, tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd (artikel 341 jo. 51 Sr);
  2. Bedrieglijke bankbreuk, gepleegd als bestuurder van een rechtspersoon, meermalen gepleegd (artikel 343 Sr).

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten dezelfde feiten betreffen die door de omstandigheden waaronder het wordt gepleegd onder meer dan één strafbepaling vallen en dat er sprake is van eendaadse samenloop, als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal derhalve met betrekking tot die feiten slechts één strafbepaling toepassen.

De rechtbank meent dat een langdurige, deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft doet daaraan onvoldoende af.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte een ernstige aantasting vormen van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte binnen korte tijd na zijn aantreden als feitelijk en formeel leidinggevende van bedrijf 1 B.V. op onverantwoorde wijze excessieve geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel van voornoemd bedrijf met de ondergang van dat bedrijf als gevolg. Ten gevolge van verdachtes handelwijze is voorts slachtoffer, via bedrijf 3 en bedrijf 4 B.V. voormalig aandeelhouder van bedrijf 1, financieel en daardoor ook sociaal-maatschappelijk geruïneerd, en zijn diverse crediteuren ernstig benadeeld. Verdachte is daarbij voornamelijk uit geweest op zijn eigen gewin. De verdachte heeft aldus zeer laakbaar gehandeld.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte binnen 4 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis de verplichting zal nakomen waartoe hij als privépersoon is veroordeeld in het civiele vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 24 november 2004, rolnummer 172020/HAZA 04-104, te weten:

  • betaling aan slachtoffer van een bedrag van € 112.860;
  • betaling aan slachtoffer van de kosten van voornoemd geding, tot op de dag van uitspraak begroot op € 3.931,20 aan verschotten en op € 5.000 aan salaris.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF