Bestanddeel "uit winstbejag" (art. 417bis Sr) voldoende gemotiveerd?

Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:164

De verdachte is bij arrest van 18 mei 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “schuldheling”, veroordeeld tot één dag gevangenisstraf, met aftrek en negentig uren taakstraf.

Het Hof heeft het volgende overwogen:

"Bewijsoverwegingen

Inleiding

Uit de stukken uit het dossier is duidelijk geworden dat ambtenaren van politie op 25 februari 2014 om ongeveer 04.10 uur de verdachte en bijrijder betrokkene 1 (hierna: betrokkene 1 ), die waren gezeten in de bestelbus van de verdachte, staande hebben gehouden. Naar achteraf is komen vast te staan, was de grote partij gereedschap die de verdachte op dat moment in zijn bestelbus vervoerde, niet langer dan ongeveer 11 uren vóór de aanhouding gestolen uit de bestelauto van de aangever betrokkene 2.

(...)

Ten aanzien van de feiten

(...)

Met betrekking het onder 2 (de Hoge Raad begrijpt: het onder 1 subsidiair) tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij die avond het hof begrijpt: 24 februari 2014 is gebeld door een kennis die hem de partij gereedschap te koop aanbood. Hij is vervolgens tussen 18.00 en 21.00 uur samen vanaf zijn huis met betrokkene 1 naar die kennis getogen en heeft daar aan de kennis gevraagd of de gereedschappen niet gestolen waren. Hij stelde deze vraag, naar zijn zeggen, omdat er in die tijd in de omgeving vaker gereedschap werd gestolen. De kennis heeft de vraag ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft de verdachte met die kennis kenmerken van een aantal van de gereedschappen ingevoerd op de website www.stopheling.nl, maar de gereedschappen kwamen op die website niet voor als gestolen voorwerpen. Na de aankoop is de verdachte met de gereedschappen in zijn bestelbus naar een verjaardag in Amsterdam gereden. Op de terugweg is hij door de politie staande gehouden, aldus de verdachte.

Het hof acht de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk. Daartoe is redengevend dat de verdachte eerst op de terechtzitting in hoger beroep met zijn verklaring is gekomen, zodat ampel gelegenheid heeft bestaan om deze af te stemmen op de inhoud van het dossier. Verder heeft hij niet willen zeggen wie de kennis is bij wie hij de gereedschappen zou hebben gekocht, zodat zijn verklaring hoegenaamd niet verifieerbaar is. Het enige wat wel verifieerbaar is, is of betrokkene 1 inderdaad tussen 18.00 en 21.00 uur vanaf het huis van de verdachte is meegereden naar de kennis waar het gereedschap zou worden gekocht. betrokkene 1 heeft op 26 mei 2015 echter verklaard dat hij niets wist van het gereedschap uit de bus van de verdachte en dat de verdachte hem rond 01.00 uur naar het hof begrijpt op 25 februari 2014 heeft opgehaald, zodat gezegd moet worden dat de verklaring van de verdachte niet te rijmen is met die van betrokkene 1.

De opvallende omstandigheid dat de verdachte niet langer dan ongeveer 11 uren na de diefstal van de grote en - naar gevoeglijk mag worden aangenomen - kostbare partij gereedschap daarover kon beschikken en deze in het holst van de nacht in zijn bestelbus vervoerde acht het hof redengevend voor het bewijs van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, in die zin dat daaruit afgeleid wordt dat de verdachte de partij gereedschap heeft gekregen onder omstandigheden waarin hij - minst genomen - moest vermoeden dat deze partij van diefstal afkomstig was. Nu de verdachte - zoals al bleek - geen redelijke, verifieerbare, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, kan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen als na te melden.

Het door de raadsvrouw ten aanzien van de ten laste gelegde heling gevoerde verweer wordt verworpen, omdat, daarin wordt uitgegaan van de lezing van de verdachte die het hof niet aannemelijk acht."

Middel

Het middel klaagt over de door het hof bewezenverklaarde schuldheling als bedoeld in art. 417bis lid 1 aanhef onder b Sr. In het bijzonder blijkt uit de toelichting dat ten eerste wordt geklaagd dat het bestanddeel “uit winstbejag” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed en ten tweede dat het oordeel van het hof dat “verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof” ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft kennelijk uit de bewijsvoering afgeleid dat de verdachte de bewezenverklaarde partij gereedschappen "uit winstbejag" voorhanden heeft gehad. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen de bewijsvoering inhoudt omtrent de aard en omvang van de grote hoeveelheid kostbare gereedschappen, ten aanzien waarvan door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat hij deze met een ander doel voorhanden had.

De andere klacht van het middel, die zich richt tegen de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte "redelijkerwijs moet vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof", kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Conclusie AG

3.7. Bij de beoordeling van de eerste deelklacht, die opkomt tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘uit winstbejag’ als bedoeld in art. 417bis lid 1 aanhef onder b Sr, kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 417bis Sr is laatstelijk gewijzigd bij Wet van 9 oktober 1991, houdende aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve van de bestrijding van heling.3 Met die wijziging werd blijkens de memorie van toelichting het bestanddeel ‘uit winstbejag’ voor wat betreft de begunstigingsdelicten grotendeels geschrapt, met uitzondering van de strafbaarstellingen als bedoeld in art. 416 lid 1 onder b en 417bis lid 1 onder b Sr:

“3.1.2. Het bestanddeel «uit winstbejag»

Volgens de artikelen 416 en 417bis (opzet– respectievelijk schuldheling) is bij overdrachtshandelingen, zoals verkopen en verhuren, en bij de typische begunstigingshandelingen, zoals bewaren en verbergen, voorwaarde voor strafbaarheid dat degene die zich aan deze handelingen schuldig maakt, handelt «uit winstbejag». Beide adviezen van de RAC strekken ertoe dit bestanddeel uit de delictsomschrijvingen te schrappen. Daarvoor pleit dat het begunstigen van vermogenscriminaliteit de nadruk moet krijgen: het gaat niet zozeer om het profijt van de heler, als wel om het wegwerken van het uit misdrijf «verkregen» goed. Het winstbejag van de heler is uit dit gezichtspunt niet meer relevant.

Verder is van belang dat het bestanddeel «uit winstbejag» in de praktijk bewijsmoeilijkheden oplevert. In het bijzonder levert dit bij het bewijs van de typische begunstigingshandelingen zoals vervoeren, bewaren of verbergen, problemen op. Veelal blijkt de van heling verdachte persoon, aan wie een van deze handelingen ten laste wordt gelegd, zich er met succes op te kunnen beroepen dat hij een vriendendienst verrichtte en niet uit winstbejag handelde.

Wel acht ik het nodig in de delictsomschrijvingen van heling (artikelen 416, eerste lid, 417, eerste lid, bis Sr) uitdrukkelijk op te nemen dat betrokkene ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig is. Anders zou degene die ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van het goed te goedertrouw was, doch er na verloop van tijd op enigerlei wijze achter komt dat het goed door misdrijf verkregen is, zich vanaf dat moment aan heling schuldig maken, zolang hij het goed voorhanden heeft of zodra hij het goed overdraagt. Dit zou de strafbaarstelling van heling te ver oprekken. Men bedenke dat in veel gevallen de rechtmatige eigenaar niet meer te vinden is, zodat de koper te goeder trouw het goed helemaal niet aan hem terug kan geven, noch op grond van artikel 120, tweede lid, Boek 3, nieuw BW vergoeding kan vorderen. Ook kan het voorkomen dat er in het geheel geen rechtmatige eigenaar is, bij voorbeeld in het geval dat in een kluis van een bank geld ligt dat door drugshandel is verkregen. De bankier die erachter komt dat het geld door misdrijf is verkregen, kan het onmogelijk aan rechtmatige eigenaars teruggeven.

Volgens het voorgestelde eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 416 en 417bis zal echter degene die ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van een goed te goeder trouw was, maar er na verloop van tijd achter komt dat het goed door misdrijf verkregen is, zich wel schuldig maken aan heling, als hij het goed uit winstbejag voorhanden houdt of overdraagt.

De bepalingen beogen dus niet het voor de verkrijger te goeder trouw, die naderhand met de criminele herkomst van het goed bekend raakt, onmogelijk te maken dit goed straffeloos van de hand te doen. Slechts wanneer hij aldus handelt «uit winstbejag» is hij strafbaar. In de voorgestelde delictsomschrijving is zo de reikwijdte van het bestanddeel «uit winstbejag» in belangrijke mate teruggedrongen. De consequentie hiervan is dat de delictsomschrijving van heling wordt verruimd in die zin dat het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van een goed, terwijl betrokkene ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist of had behoren te vermoeden dat het van misdrijf afkomstig was, ongeacht de vraag of hij handelde uit winstbejag, als heling strafbaar wordt gesteld. De bewijslast van deze delicten wordt aldus tevens verlicht.”

3.8. Fokkens, in Noyon/Langemeijer/Remmelink, omschrijft ‘uit winstbejag’ als een gedraging waarbij ‘men handelt ter verwerving van economisch voordeel, waaronder tevens kan vallen het goedmaken van zijn kosten zonder enige winst.’ Het is niet noodzakelijk dat het voordeel al verwezenlijkt is.

3.9. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte – samengevat – in zijn bestelbus ‘s nachts is aangetroffen met een grote hoeveelheid gereedschappen, vrij kort nadat de diefstal van die gereedschappen had plaatsgevonden. Uit de bewijsoverweging van het hof, zoals hierboven is weergegeven onder 3.5 blijkt dat naar het oordeel van het hof de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de goederen redelijkerwijze had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. Die bewijsredenering lijkt “te zijn toegesneden op de (schuld) helingsvariant zoals die is omschreven in art. 417bis lid 1 onder a Sr. Het hof heeft echter – conform het subsidiair tenlastegelegde – de schuldheling als bedoeld in art. 417bis lid 1 aanhef onder b Sr bewezenverklaard. Zoals uit hetgeen hiervoor onder 3.5 is vooropgesteld, dient voor de bewezenverklaring van dat feit het, ten tijde van het voorhanden hebben, bestaan van het bestanddeel ‘uit winstbejag’ uit de bewijsvoering van het hof te kunnen volgen. Echter, uit de door het hof in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden, noch uit de (nadere) bewijsoverweging kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld ter verkrijging van enig economisch voordeel. Derhalve is de bewezenverklaring van het hof niet toereikend met redenen omkleed. De eerste deelklacht slaagt.

3.10. Bij beoordeling van de tweede deelklacht, die opkomt tegen het door het hof bewezenverklaarde dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”, moet het volgende worden vooropgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2017 een voorafgaande beschouwing gewijd aan het bewijs en de kwalificatie van verschillende vermogensdelicten, waaronder (schuld)heling. Deze beschouwing, voor zover voor de bespreking van dit middel relevant, houdt in:

“2.1. Bij een vermogensdelict als diefstal kan de rechter door de in de tenlastelegging aangebrachte keuzes voor de vraag worden gesteld of de verdachte zelf dat vermogensdelict heeft gepleegd dan wel of hij nadien daarbij (ook) op een strafbare wijze betrokken is geweest. Die vraag rijst in het bijzonder in die gevallen waarin de bewijsmiddelen vooral duiden op het voorhanden hebben van een voorwerp (kort) nadat met betrekking tot dit voorwerp een vermogensdelict is gepleegd. (…)

2.3.1. In geval van betrokkenheid van de verdachte na het vermogensdelict kan heling in beeld komen. Daarbij geldt wel dat krachtens het begrip van heling - een begunstigingsmisdrijf - moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in art. 416 of art. 417bis Sr verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger of als medepleger door enig misdrijf heeft verkregen, aan de kwalificatie heling in de weg staat. Indien dit laatste met voldoende concretisering ten verwere is aangevoerd en uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk wordt, is kwalificatie als heling uitgesloten.

Kwalificatie als heling is tevens uitgesloten indien de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsvoering dwingt tot de gevolgtrekking dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Indien zij niet dwingt tot die gevolgtrekking - ook al laat zij die mogelijkheid wel open -, heeft de rechter de mogelijkheid dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen, kennelijk niet aannemelijk geoordeeld. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet snel onbegrijpelijk zal worden geoordeeld. In dat verband kan van belang zijn of door of namens de verdachte in feitelijke aanleg op die - aan een veroordeling ter zake van heling in de weg staande - omstandigheid een voldoende geconcretiseerd beroep is gedaan (vgl. bijvoorbeeld HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR: 2005:AT8800, NJ 2006/424).

Van belang is ook dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” bijvoorbeeld het voorhanden “krijgen” wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.”

3.11. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof voor de bewezenverklaring onder meer redengevend geacht dat de verdachte vrij kort na de diefstal, in het holst van de nacht een grote partij nadien gestolen blijkende gereedschappen onder zich had. Uit ‘s hofs (nadere) bewijsoverweging blijkt tevens dat het de afgelegde verklaring van verdachte als onaannemelijk terzijde heeft geschoven. Dat oordeel is niet ontoereikend gemotiveerd. Immers, uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte bij verkrijging van deze goederen minstens redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het om misdrijf verkregen goederen betrof. Daarbij speelt een rol dat de verdachte geen helderheid heeft willen verschaffen over de prijs, de identiteit van de kennis en het tijdstip waarop hij het gereedschap zou hebben gekocht en zijn verklaring op onderdelen niet valt te verenigen met de verklaring van de ‘bijrijder’ van de bestelauto. Ten overvloede zij vermeld dat in dergelijke gevallen, waarin de verdachte vlak na een diefstal met de gestolen goederen in zijn bezit wordt aangetroffen, waarvoor geen aannemelijke verklaring wordt verschaft tevens andere vermogensdelicten dan schuldheling ten laste kunnen worden gelegd en bewezenverklaard.

De tweede deelklacht faalt.

4. De tweede deelklacht faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. De eerste deelklacht van het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF