Beslissing raadkamer rechtbank tot teruggave van (potentiële) geheimhoudersstukken

Rechtbank Oost-Brabant 6 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:731

In het klaagschrift ex artikel 552a Sv van

  1. naam bedrijf 1
  2. naam bedrijf 2
  3. naam bedrijf 3
  4. naam persoon 1
  5. naam persoon 2

wordt door klagers opgekomen tegen de op 13 oktober 2014 aan bedrijf 2 (klager 2) en bedrijf 3 (klager 3) overhandigde vorderingen tot verstrekking van historische gegevens ex artikel 126nd/ud Sv. Bovendien wordt met het klaagschrift opgekomen tegen de uitlevering en inbeslagneming van voorwerpen/gegevens en tegen de uitlevering en beslaglegging op potentiële geheimhoudersstukken, tegen (voorgenomen) kennisneming van voorwerpen/gegevens en het uitblijven van een last tot teruggave van deze voorwerpen/gegevens.

Klagers verzoeken de rechtbank primair de gelegde beslagen op te heffen, onder teruggave van al het beslagene. Subsidiair verzoeken klagers het beslag op de vier verzegelde verhuisdozen met schriftelijke stukken op te heffen. Meer subsidiair wordt door klagers verzocht de originaire verschoningsgerechtigden en hun cliënten in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over (de rechtmatigheid van) onderhavig beslag en het daartegen gerichte beklag, in ieder geval voor zover dit betrekking heeft op (potentiële) geheimhoudersstukken.

De officieren van justitie, mr. W. J.V. Spek en mr. F.W. de Nerée tot Babberich hebben in raadkamer allereerst aangegeven dat alle schriftelijke stukken, met uitzondering van 10 of 11 kopieën en de schriftelijke stukken in vier verzegelde verhuisdozen, inmiddels zijn teruggegeven aan de beslagenen. Daarnaast hebben zij naar voren gebracht dat klager 4 en klager 5 niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun klaagschrift omdat zij niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden. De officieren van justitie hebben zich vervolgens ten aanzien van de vier verzegelde inbeslaggenomen verhuisdozen, de usb sticks met digitale gegevens en 10 of 11 kopieën van inmiddels teruggegeven schriftelijke stukken, verzet tegen inwilliging van het klaagschrift.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar verdachte naam 1

op grond van ‘vorderingen verstrekking historische gegevens’ van de officier van justitie van 10 oktober 2014, schriftelijke stukken onder bedrijf 3 (klager 3) en bedrijf 2 (klager 2) in beslag zijn genomen. Op 14 oktober 2014 zijn 137 ordners en mappen die geen geheimhoudersstukken bevatten onder uitdrukkelijk protest aan de FIOD uitgeleverd en op 15 oktober 2014 zijn onder uitdrukkelijk protest vier verhuisdozen met (potentiële) geheimhoudersstukken op het Kabinet van de Rechter Commissaris aangeleverd.

Ontvankelijkheid klager 4 en klager 5

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat klager 4 en klager 5 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het klaagschrift omdat zij niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden.

De rechtbank is van oordeel dat klager 4 en klager 5 als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en verwerpt hiermee de door de officieren van justitie aangevoerde reden om klager 4 en klager 5 niet-ontvankelijk te verklaren in hun beklag. Voor de vraag of iemand als belanghebbende is aan te merken in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is niet beslissend of iemand redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt, maar of hij heeft gesteld rechthebbende te zijn. Nu dit hier het geval is, zijn klager 4 en klager 5 belanghebbenden.

Beslag schriftelijke stukken, niet zijnde geheimhoudersstukken

Uit het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de ordners en mappen die geen geheimhoudersstukken betreffen, inmiddels zijn teruggegeven aan beslagenen met uitzondering van 10 of 11 kopieën, Nu aldus het beslag op de teruggegeven stukken is opgeheven, zal de rechtbank het beklag ten aanzien van deze schriftelijke stukken niet-ontvankelijk verklaren.

Rechtmatigheid vorderingen

De raadsman van klagers heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde vorderingen. In de eerste plaats omdat die vorderingen onduidelijk en (veel) te ruim geformuleerd zijn en disproportioneel genoemd kunnen worden. In de tweede plaats omdat door klagers kenbaar is gemaakt dat de gevorderde informatie voor een groot deel geheimhoudersstukken betreft, namelijk juridische (concept)-stukken/akten/adviezen en correspondentie van en aan advocaten en notarissen in binnen-en buitenland. De vorderingen en het daaropvolgend beslag worden door de raadsman onrechtmatig genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van rechtmatige vorderingen. Uit de stukken is gebleken dat naam 1 wordt verdacht van overtreding van artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet rijksbelastingen. Het strafrechtelijk onderzoek tegennaam 1 richt zich op de woonplaats van verdachte. Gelet op de aard van een woonplaatsonderzoek, waarbij alle omstandigheden van belang kunnen zijn en waarbij het gaat om een samenspel van relevante omstandigheden, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet worden aangenomen dat de vordering te ruim is geformuleerd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman op dit punt. De rechtbank oordeelt voorts dat onvoldoende is onderbouwd dat de vorderingen disproportioneel zouden zijn. Het enkele feit dat de vorderingen voor klagers zeer veel werk hebben opgeleverd, impliceert niet dat de vorderingen disproportioneel zijn.

Beslag op 10 of 11 kopieën van de inmiddels teruggegeven schriftelijke stukken

In raadkamer hebben de officieren van justitie aangegeven dat zij beschikken over 10 of 11 kopieën van stukken die inmiddels zijn teruggegeven en die geen geheimhoudersstukken betreffen. Zij hebben aangevoerd dat deze kopieën van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek.

Gelet op het dossier en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat sprake is van rechtmatig beslag op voornoemde kopieën. De rechtbank oordeelt dat deze kopieën van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek tegennaam 1 en derhalve van belang zijn voor de

waarheidsvinding. De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op deze kopieën en zal het klaagschrift op dit punt ongegrond verklaren.

Geheimhoudersstukken (potentiële), waaronder usb sticks (klager 2 en klager 3)

De raadsman van klagers heeft ten aanzien van de (potentiële) geheimhoudersstukken in de vier verzegelde verhuisdozen en de gegevens op de usb sticks aangegeven dat deze binnen het verschoningsrecht en geheimhoudingsplicht vallen. Klagers kunnen zich volgens de raadsman beroepen op een (afgeleid) verschoningsrecht. De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering en het daarop gevolgde beslag van de vier verhuisdozen met (potentiële) geheimhoudersstukken en de usb sticks onrechtmatig zijn. Volgens de raadsman dienen deze stukken en usb sticks dan ook teruggegeven te worden.

De rechtbank stelt vast dat de beslagenen (klager 2 en klager 3) ten aanzien van de schriftelijke stukken die zich in de vier verzegelde dozen bevinden en de gegevens die zich op de usb sticks bevinden direct, dat wil zeggen op het moment dat de vorderingen werden verstrekt, gemotiveerd kenbaar hebben gemaakt dat sprake was van geheimhoudersstukken. Klagers hebben aangegeven dat klagers als belastingadviseurs/fiscalisten van naam 1 regelmatig hebben samengewerkt en intensief hebben gecommuniceerd met advocaten en notarissen. De schriftelijke stukken die samenhangen met deze samenwerking en communicatie vallen volgens klagers zonder meer binnen het verschoningsrecht en geheimhoudingsplicht.

Ten aanzien van stukken die door raadslieden aan derden als deskundigen (bijv. accountants) ter beschikking worden gesteld, hebben deze derde deskundigen een van de raadsman afgeleid verschoningsrecht. Zij kunnen zich op grond daarvan tegen inbeslagneming verzetten( HR 29 maart 1994, NJ 1994/552). Dit is echter slechts het geval indien deze derden de stukken van de raadsman hebben ontvangen en niet rechtstreeks van de cliënt. In dit laatste geval gaat het immers niet om stukken die aan de raadsman als zodanig ter beschikking zijn gesteld en deze vallen dus niet onder het verschoningsrecht. (HR 20 juni 1995) Het afgeleide verschoningsrecht van een door de advocaat ingeschakelde deskundige strekt zich uit tot de stukken die zich bij de deskundige bevinden in verband met de vervulling van de door hem aanvaarde opdracht, zoals de adviezen die hij ten behoeve van de advocaat heeft uitgebracht (HR 12 februari 2002, NJ 2002/440)

Ter zitting is door klagers onweersproken en uitgebreid geschetst dat zij ten behoeve van hun cliënt – verdachte in deze strafzaak - met grote regelmaat nauw samenwerken met advocaten en notarissen en uit dien hoofde over stukken beschikken die vallen onder het geheimhoudersrecht van die advocaten en notarissen. Naar het oordeel van de rechtbank staat gelet daarop genoegzaam vast dat klagers in het onderhavige geval beschikken over een van die geheimhouders afgeleid verschoningsrecht.

Indien het verschoningsrecht aan de orde is, zijn op grond van artikel 126nd, tweede lid jo. artikel 96a, derde lid jo. artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering geheimhouders zelf niet verplicht aan de vordering tot verstrekking van gegevens te voldoen.

Voor de beoordeling van een beroep op het verschoningsrecht door een geheimhouder is overigens niet doorslaggevend of de stukken waarop het beroep ziet worden aangetroffen ten kantore van de geheimhouder zelf of bij een derde, zoals klagers 2 en 3. Klagers kunnen zich echter als afgeleid verschoningsgerechtigde zelf niet beroepen op het verschoningsrecht, dit is voorbehouden aan de geheimhouder(s) zelf.

Nu klagers gemotiveerd hebben aangegeven dat ten aanzien van de in de verzegelde dozen aangeleverde stukken en ten aanzien van de gegevens op de usb sticks sprake is van geheimhoudersstukken, hadden naar het oordeel van de rechtbank de afgeleide verschoningsgerechtigden in de gelegenheid moeten worden gesteld de geheimhouders te benaderen zodat de geheimhouders aan zouden kunnen geven of in casu sprake is van geheimhoudersstukken en of zij zich op het verschoningsrecht wensen te beroepen. Nu dit niet is gebeurd en klagers 2 en 3 (onder protest) deze schriftelijke stukken en usb sticks hebben moeten uitleveren en deze stukken en een aantal usb sticks in beslag zijn genomen en in handen van de rechter-commissaris zijn gesteld, wordt afbreuk gedaan aan het uitgangspunt dat het oordeel of voorwerpen onder het verschoningsrecht vallen primair aan de geheimhouder zelf is voorbehouden en wordt daarmee het verschoningsrecht geschonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat klagers 2 en 3 niet gehouden waren (potentiële) geheimhoudersstukken (schriftelijke stukken en usb sticks) uit te leveren voordat de verschoningsgerechtigden in de gelegenheid waren gesteld hun oordeel te vellen over de betreffende (potentiële) geheimhoudersstukken. De gevolgde handelwijze tast de rechtmatigheid aan van de wijze van beslaglegging. Voor zover brieven en andere geschriften die onder een vertrouwensrelatie vallen zich bij een cliënt van een verschoningsgerechtigde of een door een verschoningsgerechtigde ingeschakelde deskundige bevinden, waren deze afgeleid verschoningsgerechtigden niet verplicht deze uit te leveren. De rechtbank zal het daaropvolgende beslag dan ook onrechtmatig verklaren. De rechtbank zal het klaagschrift van klagers 2 en 3 ten aanzien van de schriftelijke stukken in de vier verhuisdozen en de reeds uitgeleverde usb sticks gegrond verklaren en bepalen dat deze stukken en usb sticks worden teruggegeven aan de beslagenen.

Geheimhoudersstukken (potentiële) (klager 1, klager 4 en klager 5)

Nu de rechtbank zal beslissen tot teruggave van de (potentiële) geheimhoudersstukken en usb sticks aan de beslagenen, zijnde klager 2 en klager 3, is aldus het beslag op deze stukken daarmee opgeheven. Gelet daarop zal de rechtbank het beklag van klager 1, klager 4 en klager 5 ten aanzien van deze stukken niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

  • klagers ten aanzien van de inmiddels teruggegeven schriftelijke stukken niet-ontvankelijk in het klaagschrift;
  • het beklag ten aanzien van 10 of 11 kopieën van de inmiddels teruggegeven schriftelijke stukken ongegrond;
  • het beklag van klager 2 en klager 3 ten aanzien van de vier verzegelde verhuisdozen met schriftelijke stukken en de inmiddels uitgeleverde en inbeslaggenomen usb sticks gegrond en gelast teruggave hiervan aan klager 2 en klager 3;
  • klager 1, klager 4 en klager 5 niet-ontvankelijk in het klaagschrift ten aanzien van de vier verzegelde verhuisdozen met schriftelijke stukken en de inbeslaggenomen usb sticks.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF