Beleidssepot: kosten advocaat uit billijkheidsoverwegingen niet vergoed

Rechtbank Noord-Holland 23 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2231 Verzoeker is op 6 juli 2014 door de politie aangehouden in verband met verdenking van mishandeling. Hij is verhoord en heengezonden. De advocaat van verzoeker heeft zich op 9 juli 2014 per brief gemeld bij de politie met verzoek om een afschrift van het strafdossier en het verzoek een beslissing omtrent de verdere vervolging kenbaar te maken.

Op 10 juli 2014 heeft het OM aan verzoeker meegedeeld dat de zaak door de OvJ was geseponeerd, omdat verzoeker zelf door het gebeurde of de gevolgen ervan was getroffen. Diezelfde dag is aan het slachtoffer, dat aangifte had gedaan van de mishandeling, meegedeeld dat de zaak was geseponeerd, omdat de verdachte dusdanig door het delict of de gevolgen daarvan is getroffen dat strafrechtelijke vervolging niet zinvol werd geacht.

Het ingediende verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 548,91 (zonder zitting) dan wel € 818,91 (met zitting), wegens de met betrekking tot de strafzaak gemaakte kosten van een raadsman en de kosten met betrekking tot indiening (en behandeling) van het verzoekschrift van een raadsman.

Standpunt OM

De OvJ heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. Er is sprake van een beleidssepot. De zaak is geseponeerd met sepotcode “zelf door gebeurde of de gevolgen getroffen”. Op zich was het OM de mening toegedaan dat het wel om een bewijsbare zaak ging. Na de getoonde coulance van het OM ook nog een schadevergoeding toekennen gaat te ver.

De OvJ stelt zich subsidiair op het standpunt dat de kosten vanaf 11 juli 2014 niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu uit het systeem blijkt dat aan verzoeker een sepotbeslissing is verzonden gedateerd 10 juli 2014.

Standpunt verdediging

De raadsman verklaart dat hij hetgeen de OvJ primair heeft aangevoerd niet kan beoordelen, omdat hij niet beschikt over een strafdossier.

Verder stelt de raadsman zich op het standpunt dat de kosten van de raadsman na 10 juli 2014 voor vergoeding in aanmerking komen, omdat verzoeker de sepotbeslissing gedateerd 10 juli 2014 nimmer heeft ontvangen. De beslissing tot sepot is pas bij de raadsman en verzoeker bekend geworden nadat het OM de raadsman hiervan bij brief van 28 juli 2014 op de hoogte heeft gesteld.

Oordeel rechtbank

Uit wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de terminologie “dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr” niet betekent dat de zaak dient te zijn geëindigd door een rechterlijke einduitspraak. Ook na andere wijzen van beëindiging van de zaak – zoals bij een sepot door politie of OM – bestaat op de voet van artikel 591a, tweede lid, Sv de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman. Beslissend is daarbij of in het concrete geval voor toekenning van zo'n vergoeding gronden van billijkheid aanwezig zijn; bij dat oordeel dient rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:2013:BX5566).

Onder “de kosten van een raadsman” waarvoor een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend, als bedoeld in de eerste volzin van artikel 591a, tweede lid Sv, zijn te verstaan de kosten van een raadsman die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen een gewezen verdachte. Onder die kosten vallen ook de kosten ter zake van advisering en opstelling van een verzoekschrift strekkende tot toepassing van art. 591a Sv. Deze kosten zijn weliswaar ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte doch hangen met die zaak rechtstreeks samen (ECLI:NL:HR:1986:AC9355).

De door verzoeker verzochte vergoeding ziet op werkzaamheden die zijn advocaat voor hem heeft verricht. Die werkzaamheden komen echter uit billijkheidsoverwegingen niet voor vergoeding in aanmerking.

Allereerst niet, omdat hier sprake is van een zogenaamd beleidssepot. In raadkamer heeft de OvJ nader onderbouwd dat het zonder meer een bewijsbare zaak betrof, maar dat na afweging van onder meer de belangen van verdachte besloten is om niet te vervolgen. Onder deze omstandigheden verzet de billijkheid zich tegen toekenning van de verzochte vergoeding. Van omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Het valt – in het belang van de toenmalige verdachte – te prijzen dat het OM deze beslissing zo snel heeft genomen.

Daarnaast is er voor vergoeding geen aanleiding, omdat de gevraagde vergoeding ziet op werkzaamheden, die na de sepotmededeling zijn verricht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF