Belastingzaak: uit een tap op het telefoon(fax-)nummer van advocaat verkregen overeenkomst van dading is niet op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen

Rechtbank Gelderland 17 september 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:3000

Procesgang

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 december 2009 voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.351 negatief en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 175.000.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2011 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Feiten

Eiser is gehuwd met Y. Samen hebben ze twee kinderen, D en E. De woning aan de A-straat 1 te Z is sinds 16 oktober 1996 in eigendom van eiser en zijn echtgenote.

De echtgenote van eiser evenals beide kinderen staan vanaf 15 oktober 1996 respectievelijk 2001 en 2003 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres A-straat 1 te Z.

Eiser stond van 15 oktober 1996 tot en met 14 juli 2004 ingeschreven op het adres A-straat 1 te Z. Op 14 juli 2004 heeft eiser zich laten uitschrijven bij de basisadministratie van de gemeente Breukelen en daarbij als nieuw adres A-straat 2 in Q te Zwitserland opgegeven. Vanaf 2 april 2007 staat eiser weer ingeschreven op het adres A-straat 1 te Z.

Eiser is 100 % aandeelhouder van F BV en G BV. Beide BV’s hebben als vestigingsadres A-straat 1 te Z. Tevens is eiser voor 75 % aandeelhouder van H GmbH.

Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van dading, gedagtekend 2 februari 2006. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)Partijen

1. De heer X, wonende te NL (…) Z (…), aan de A-straat 1, nader te noemen “X”.

(…) Mede-ondergetekenden:

3. H GmbH, gevestigd te D (…) R (Duitsland) (…), vertegenwoordigd door de heer X. (…)

PARTIJEN KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

- Uit het op rekeningnummer (…) gekantonneerde bedrag van € 307.000 zal een bedrag groot € 175.000,- onmiddellijk na ondertekening worden bijgeschreven op een nader over te maken rekeningnummer door partij X.”(…)

Op de overeenkomst van dading, gedagtekend 2 februari 2006, zijn handgeschreven aantekeningen gemaakt. Blijkens deze aantekeningen dient een bedrag van € 145.000 op een bankrekening van Credit Suisse ten name van eiser te worden overgemaakt en een bedrag van € 30.000 op een bankrekening van Stichting Beheer derdengelden I te worden overgemaakt.

In 2006 is eiser verhoord door opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Van deze verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt. Met betrekking tot het verblijf van eiser in Nederland en Zwitserland is in de processen-verbaal van 6 april 2006 en 30 augustus 2006, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…) Naar de A-straat 1 in Z. Dit is het woonadres van mijn vrouw en kinderen. Dit is niet het woonadres van mijzelf. Ik sta zelf ingeschreven in Zwitserland. De situatie met betrekking tot de overgang van het bedrijf waar ik voor werkte is dramatisch veranderd. Daarom ken ik nu mijn situatie niet meer. Ik had een woning in Zwitserland. Dat was op het adres A-straat 3 ongenummerd in S. Dit bedrijfspand/woonhuis wordt gehuurd door het bedrijf J AG. Dit bedrijf is sinds kort overgegaan in handen van andere aandeelhouders. De nieuwe eigenaar wilde niet meer dat ik in dat huis bleef wonen. Ik heb toen mijn spullen opgepakt en ben naar mijn huis in Z gegaan. Op dit moment zoek ik een andere woonruimte in Zwitserland. De nieuwe vertegenwoordiger van de eigenaren van J AG heet K.

(…) In het weekend verblijf ik bij mijn vrouw in Z, verder verblijf ik door de weeks in Zwitserland. Ik verblijf dan in hotels. Ik heb ingeschreven gestaan op de A-straat 3 in S. Daar woont nu K. Ik weet niet of ik daar nog ingeschreven sta. Ik heb dus geen vaste woon- of verblijfplaats in Zwitserland”

In het proces-verbaal van de echtgenote van eiser van 7 april 2006 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) Wij getrouwd op 29 april 1999 onder huwelijkse voorwaarden.(…)

Vraag verbalisanten: Wat is uw woonadres? Woont u daar ook daadwerkelijk?

Ik woon op de A-straat 1 in Z. Ik woon daar met mijn twee kinderen en X. X woont hier overigens niet officieel. Hij staat ingeschreven in Zwitserland en staat niet ingeschreven in Z. Sinds wanneer hij daar staat ingeschreven weet ik niet. Hij staat ingeschreven in Zwitserland omdat hij daar werkt. In de afgelopen tijd dat hij in Zwitserland verbleef voor zijn werk sliep hij of in een hotel of in een woning bij het kantoor. Als hij in dat huis sliep dan was dat op een of ander luchtbed.

Vraag verbalisanten: Kent u het woonadres van X in Zwitserland?

Ik ben 1 keer bij het kantoor/woonadres in Zwitserland geweest. Dat was in oktober 2005. Dat was in verband met de toekomstige verhuizing. Het adres ken ik niet. Ik weet ook niet van wie het pand in Zwitserland is. Op het moment dat ik daar met X was, waren er geen andere mensen.

Vraag verbalisanten: Wat kan U vertellen over het adres A-straat 2 Q? Is het een woning of een bedrijfspand? Van wie is het? Huurt X het pand?

Het is een dorp in de buurt bij Q. Het bedrijf dat daar gevestigd is, is een medisch bedrijf. De naam van het bedrijf ken ik niet. Op dit adres bevindt zich alleen een kantoor met daaraan vast een woongedeelte.

Vraag verbalisanten: Volgens onze informatie stond u op het punt om te verhuizen naar S in Zwitserland. Waarom is dat niet doorgegaan?

We zouden in juni 2006 gaan verhuizen naar Zwitserland. De verhuizing ging niet door omdat het bedrijf is verkocht. Het bedrijf is 2 weken geleden verkocht. X kreeg van zijn nieuwe baas slechts een contract voor 12 maanden. Wie zij nieuwe baas is weet ik niet. Het is allemaal nog zo recent. Ik heb zijn vorige werkgever en huidige werkgever nooit ontmoet. X was wel erg zelfstandig in zijn werk. Hij mocht namelijk zelf de producten verkopen. Als ik naar Zwitserland belde kreeg ik ook altijd X zelf aan de lijn. Ik heb nog nooit iemand anders van dat bedrijf gezien of gesproken. Ook niet telefonisch. De verhuizing zou eerst in januari van dit jaar plaats vinden. Dit is toen uitgesteld omdat het niet zo lekker ging met de zaak. Toen hebben we besloten de verhuizing uit te stellen naar juni dit jaar. De woning in Z zouden we gaan verkopen. We hebben dit te koop gezet na de zomer in 2005. Het huis is nooit verkocht. De plannen om het te verkopen is stopgezet net voor de kerst 2005. Volgens mij is er voor de verkoop van de woning niets getekend omdat de verkoop nog nooit definitief is geweest.(…)”

In het proces-verbaal van een getuige van 27 april 2006 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(...) Vraag verbalisanten: Ons onderzoek heeft uitgewezen dat u voor het Zwitserse bedrijf J AG werkt.

Waar is deze onderneming officieel gevestigd? (…) We zitten nu aan de A-straat 3 in S. Dit is een huis met een kantoor. Ik ben officieel per 1-2-2005 gekomen bij J. Ik heb daarvoor meegeholpen maar daarvoor heb ik geen geld ontvangen. Dit is begonnen rond mei 2004. Ik heb J aangedragen bij X. We hebben gezeten op het adres A-straat 2 te Q. Op 8 maart 2005 zijn we overgegaan naar S. De reden dat we naar S zijn gegaan, is dat X in Zwitserland wilde wonen. Het adres A-straat 2 is een woonadres maar we hadden daar een kleine ruimte met een wc. In deze ruimte stond geen bed en geen keuken enz.

(…) Vraag verbalisanten: Klopt het dat J AG een woning annex kantoorpand huurt aan de A-straat 3 in S en dat deze woning ter beschikking staat van X?

X heeft deze woning zelf via internet gevonden. We, ik, X en (…), zijn dit pand gaan bekijken en we zagen dat er ook een kantoorpand was. We hebben in eerste instantie alleen het kantoorgedeelte gehuurd want het woonhuis was verhuurd. Van juni 2005 zouden we het geheel huren voor ca. 8.000 Franc daarvoor was de huur van het kantoorgedeelte 1.000 Franc. X zou er gaan wonen met zijn gezin.”(…)

Eiser heeft op 8 april 2008 voor het jaar 2006 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.351 negatief. In de aangifte is eiser als binnenlands belastingplichtige aangemerkt en is de woning aan de A-straat 1 te Z als de eigen woning opgevoerd, waarbij het huurwaardeforfait en de hypotheekrente in aanmerking zijn genomen. In deze aangifte zijn geen inkomsten afkomstig uit Zwitserland aangegeven.

Bij brief van 17 juli 2009 stelt verweerder eiser op de hoogte van het voornemen tot afwijking van de aangifte. In deze brief is onder meer vermeld dat uit informatie is gebleken dat eiser een bedrag van € 175.000 aan reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang heeft ontvangen.

Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 28 december 2009 de definitieve aanslag IB/PVV 2006 vastgesteld. Bij de definitieve aanslag is verweerder, in afwijking van de aangifte, uitgegaan van een negatief belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.351 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 175.000. Het verzamelinkomen is derhalve vastgesteld op € 168.649.

In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2004, 2005 en 2007 is eiser eveneens als binnenlands belastingplichtige aangemerkt en is de woning aan de A-straat 1 te Z als de eigen woning opgevoerd.

Eiser hield in Nederland banktegoeden aan in de vorm van privérekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen.

Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag IB/PVV 2006 tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

  1. beschikt eiser over alle op de zaak betrekking hebbende stukken?
  2. is de woonplaats van eiser in 2006 in Nederland gelegen?
  3. indien de woonplaats van eiser in Nederland is gelegen, heeft verweerder dan terecht een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang ter grootte van € 175.000 in aanmerking genomen? Daarbij is in het bijzonder in geschil of de overeenkomst van dading onrechtmatig is verkregen en of deze overeenkomst om die reden niet mag worden gebruikt bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2006?

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikt. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij niet beschikt over het volledige FIOD-dossier en de bescheiden, waaronder zijn administratie, die door de FIOD in beslag zijn genomen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door hem ten aanzien van eiser van de FIOD ontvangen stukken alleen betrekking hebben op de feiten op grond waarvan € 175.000 bij het inkomen is geteld en dat hij al deze van de FIOD ontvangen stukken heeft ingebracht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder niet alle stukken die bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld, heeft overgelegd. Daarbij komt dat verweerder niet verplicht is om stukken die niet ter beschikking van hem hebben gestaan, in te brengen (vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29). Eisers stelling treft dan ook geen doel.

Woonplaats

Ingevolge de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 geldt een natuurlijk persoon die in Nederland woont als binnenlands belastingplichtige.

Ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats in Nederland heeft indien hij daarmee een duurzame betrekking van persoonlijke aard heeft. Bepalend daarbij is dat uit uiterlijk waarneembare omstandigheden moet blijken dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woonplaats van eiser gelet op het bepaalde in artikel 4 van de AWR in Nederland is gelegen. Uit de stukken blijkt dat het gezin van eiser gedurende het gehele jaar 2006 in de eigen woning aan de A-straat 1 in Z heeft gewoond en dat eiser in verband met zijn werk doordeweeks in Zwitserland op het bedrijfsadres of in hotels verbleef en in het weekend bij zijn gezin in de eigen woning in Z. Verder is gebleken dat de voor 2006 geplande verhuizing van eiser en zijn gezin naar Zwitserland uiteindelijk niet is doorgegaan. Bovendien had eiser in 2006 de beschikking over privé-rekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen in Nederland. Daarmee zijn de economische en sociale banden van eiser met Nederland van dien aard dat moet worden geoordeeld dat het duurzame middelpunt van eisers persoonlijke levensbelangen in Nederland is gelegen. Eisers intentie om in Zwitserland zijn woonplaats te hebben, doet daaraan niet af.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet woonachtig was in Nederland, verwezen naar stukken die door de FIOD in beslag zijn genomen en nog niet aan hem zijn teruggegeven. Het betreffen volgens eiser stukken aangaande de geplande verhuizing naar Zwitserland, een werkvergunning 2006, rekeningafschriften alsmede uitschrijvingen met betrekking tot de Kinderbijslag en de AOW. Ook indien eiser in staat zou zijn om deze stukken te overleggen, dan kan uit deze stukken naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat het duurzame middelpunt van eisers persoonlijke belangen in 2006 niet in Nederland is gelegen. De geplande verhuizing naar Zwitserland is immers niet doorgegaan en de genoemde uitschrijvingen met betrekking tot de Kinderbijslag en de AOW brengen geen verandering in de hiervoor beschreven feitelijke banden van eiser met Nederland. De rekeningafschriften van een bank in Zwitserland wegen niet op tegen de overige in Nederland aanwezige sociale en economische banden van eiser. Dit geldt ook voor de door eiser overgelegde tijdelijke verblijfsvergunning voor de periode 1 september 2006 tot en met 31 december 2006. De overige door eiser overgelegde stukken betreffen rekeningen (“Manuelle Therapie” en “Auflösung der Freizügigkeitspolice”) en een reisverzekering, welke niet op het jaar 2006 betrekking hebben.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of eiser ook op grond van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, gesloten te ʼs- Gravenhage op 12 november 1951, zoals gewijzigd bij de overeenkomst van 22 juni 1966 als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van het Verdrag, voor zover van belang, heeft een natuurlijke persoon zijn woonplaats, in de zin van dit Verdrag, ter plaatse waar hij een duurzame woongelegenheid heeft. Indien er meerdere van dergelijke plaatsen bestaan, wordt als woonplaats beschouwd de plaats, waarmede de persoonlijke betrekkingen het nauwst zijn (het middelpunt van de levensbelangen).

De persoonlijke betrekkingen van eiser (het middelpunt van zijn levensbelangen) zijn, gelet op de overwegingen 4.6 en 4.7, in 2006 het nauwst met Nederland geweest. Dit betekent dat de woonplaats van eiser in 2006 ook op grond van het Verdrag in Nederland is gelegen.

Rechtmatigheid bewijs

Eiser stelt dat de gegevens waarop de onderhavige aanslag is gebaseerd op onrechtmatige wijze zijn verkregen en dat deze om die reden niet als bewijs mogen worden gebruikt bij het vaststellen van de aanslag. Het betreft in het bijzonder de in overweging 2.5 opgenomen overeenkomst van dading. Eiser heeft aangevoerd dat uit het vonnis van het Gerechtshof Arnhem van 13 maart 2012, Parketnummer: 21-004485-07, blijkt dat de inhoud van de geheimhoudersgesprekken (telefoon- en faxtaps) niet als bewijs mag worden gebruikt en dat sprake is van een zodanig onbehoorlijk handelen door de ambtenaren en het Openbaar Ministerie dat er op geen enkele wijze gebruik mag worden gemaakt van de betreffende bescheiden.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de genoemde stukken als bewijs mag gebruiken, ondanks het feit dat deze op onrechtmatige wijze zouden zijn verkregen. De betreffende stukken zijn volgens verweerder namelijk niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de Officier van Justitie toestemming heeft verleend om de betreffende gegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden ten aanzien van eiser.

De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst van dading tijdens het onderzoek door de FIOD is verkregen uit een op het telefoon(fax)nummer van advocaat mr. L geplaatste tap. Mede in aanmerking nemende dat L, zoals uit de stukken blijkt, één van de medeverdachten was in het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser gaat de rechtbank er vanuit dat genoemde overeenkomst van dading niet als informatie uit geheimhoudersgesprekken kan worden aangemerkt.

In het door eiser aangevoerde vonnis van het Hof ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Het Hof heeft over de geheimhoudersgesprekken het volgende overwogen:

“Geheimhoudersgesprekken

Wat betreft de geheimhoudersgesprekken heeft het hof, met de verdediging, geconstateerd dat zich, in weerwil van de regelgeving betreffende geheimhoudersgesprekken, toch transcripties van deze gesprekken in het dossier bevinden. Daarmee is de privacy van de medeverdachte L, wiens telefoonnummer in het beginstadium nog niet onder een tap was geplaatst, geschonden en, ernstiger, het verschoningsrecht van mr L en zijn kantoorgenoten. Op enig moment is een deel van die gesprekken vernietigd en een deel kennelijk, en ten onrechte, niet. Daarbij is eveneens gebleken dat, in strijd met de regelgeving, personen die een leidende rol hadden in het onderzoek ook betrokken waren bij de beoordeling van de vraag of het om geheimhoudersmateriaal ging en bij de verwerking en (gedeeltelijke) vernietiging van deze gesprekken. Ook is gebleken dat de procedures omtrent deze geheimhoudersgesprekken niet juist zijn verlopen en dat de deken, naar later bleek, in een aantal gevallen gesprekken ten onrechte niet heeft aangemerkt als geheimhoudersgesprekken. Het hof handhaaft zijn oordeel dat eventuele fouten van de deken in dit stadium de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet regarderen. Het is niet aannemelijk geworden dat informatie uit die gesprekken is gebruikt als “sturingsinformatie” in het onderzoek. De inhoud van die geheimhoudersgesprekken zal, als gezegd, niet voor het bewijs worden gebezigd. De verdachte is daarom op dit punt niet in zijn belangen geschaad”.

Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat informatie die uit de bij L geplaatste tap is verkregen onder de geheimhoudersgesprekken valt en met schending van het verschoningsrecht van L is verkregen. Het Hof heeft er namelijk op gewezen dat het telefoonnummer van L in het beginstadium nog niet onder een tap was geplaatst, waar de rechtbank uit opmaakt dat het juist gaat om informatie uit geheimhoudersgesprekken die hebben plaatsgevonden voordat bij L een tap is geplaatst. Hieruit kan dus niet de overeenkomst van dading zijn verkregen.

Nu niet is gebleken van een schending van het verschoningsrecht en ook anderszins niet is gebleken dat de overeenkomst van dading op strafrechtelijk onrechtmatig wijze is verkregen, heeft verweerder de overeenkomst van dading als bewijs mogen gebruiken.

Hoogte van de aanslag

Eiser heeft gesteld dat de door hem ontvangen vergoeding van € 175.000 een liquidatieuitkering betreft en belast moet worden als een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang. Op deze vergoeding dienen volgens eiser de kosten ten bedrage van € 30.000 en de verkrijgingsprijs van de aandelen in mindering te worden gebracht.

Verweerder heeft het door eiser blijkens de overeenkomst van dading ontvangen bedrag van € 175.000 aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband hiermee kosten heeft gemaakt ten bedrage van € 30.000.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser ontvangen vergoeding terecht heeft gekwalificeerd als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.13 van de Wet IB 2001. Uit de verklaring van eiser blijkt dat de ontvangen vergoeding een provisie voor de verkoop van onroerend goed in België op 20 mei 2005 betreft. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de vergoeding verband houdt met de liquidatie van H GmbH. Hieruit volgt dat sprake is van een nagekomen bate, die geen verband houdt met een eventuele liquidatie.

Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met deze vergoeding kosten heeft gemaakt ten bedrage van € 30.000. De handgeschreven aantekeningen op de overeenkomst van dading, inhoudende dat een bedrag van € 30.000 naar een bankrekening van Stichting Beheer derdengelden I dient te worden overgemaakt, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. In de verklaring van eiser tijdens de behandeling van het beroep ter zitting dat hij voor deze kosten een factuur heeft ontvangen, maar dat deze in beslag is genomen en niet is teruggegeven, ziet de rechtbank voorts ook geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Niet valt in te zien immers waarom door eiser niet een duplicaatfactuur had kunnen worden opgevraagd en overgelegd. Eiser heeft evenmin op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij genoemde kosten heeft gemaakt.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat verweerder bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2006 terecht een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang ter grootte van € 175.000 in aanmerking heeft genomen.

Conclusie

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF