Artikel: Strafrechtelijke vervolging van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen

In deze bijdrage draait het om de vraag hoe het nu verder moet met de strafrechtelijke vervolging van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen. De huidige wettelijke regeling (grotendeels stammend uit 1855) maakt het praktisch onmogelijk om tot vervolging over te gaan. De regering heeft recentelijk een voorontwerp van wet gepubliceerd die voorziet in een modernisering van het stelsel, maar tot een werkbare procedure leidt dit nog niet.

De verdere modernisering ligt in handen van een nog in te stellen commissie-Fokkens. De auteurs zien voor wat betreft het vervolg van de modernisering een procedurele tweetrapsraket. Eerst moeten mogelijkheden worden gecreëerd om daadwerkelijk tot vervolging over te kunnen gaan. Om dit te kunnen bereiken zal moeten worden voorzien in adequate opsporingsbevoegdheden voor de onderzoekscommissie van de Tweede Kamer en de nog bestaande procedurele tekortkomingen moeten worden opgelost. In dit kader kan dan meteen ook worden voorzien in een rol voor de Eerste Kamer in de procedure en kan in art. 127 RO een aanwijzingsbevoegdheid voor de commissie van onderzoek van de Tweede Kamer worden opgenomen. Daarna, en dit vereist vanwege de benodigde grondwetsherziening een veel langere adem, kan worden overgegaan tot de echte fundamentele herziening van het systeem. In dit artikel worden daarvoor aanzetten gedaan.


Lees verder:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF