Artikel: Het ne bis in idem-beginsel in grensoverschrijdende zaken

Over de opportuniteit en effectiviteit van criminaliteitsbestrijding in grensoverschrijdende zaken kan door lidstaten verschillend gedacht worden. Wat te doen als bijvoorbeeld een verdachte die in de ene lidstaat wordt gezocht, door een andere lidstaat buiten vervolging wordt gesteld op ontoereikend gemotiveerde gronden? Verbiedt het beginsel van wederzijdse erkenning in zo’n geval dat de tweede vervolgende lidstaat het onderzoek van de eerste controleert of zelfs naast zich neerlegt?

Het hangt ervan af, zo blijkt uit het arrest Kossowski van de Grote Kamer van het Hof van Justitie. Als een procedure tot strafvervolging in een lidstaat wordt beëindigd zonder dat een uitgebreid onderzoek is verricht, is die beslissing mogelijk geen onherroepelijke beslissing in de zin van artikel 54 SUO en artikel 50 Handvest. Het in die bepalingen neergelegde ne bis-beginsel staat in zo’n geval niet in de weg aan een nieuwe vervolging in een andere lidstaat, zo volgt uit Kossowski. Nadat het Hof van Justitie in de afgelopen jaren in asiel en overleveringszaken belangrijke uitzonderingen maakte op het principe van wederzijdse erkenning van elkaars rechterlijke beslissingen, neemt het in Kossowski ook een uitzondering aan als het de criminaliteitsbestrijding betreft.

Deze bijdrage plaatst het arrest in het perspectief van deze eerdere jurisprudentie en voert een eerste impact assessment uit voor de rechtspraktijk.

Lees verder:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF