Artikel 9, vierde lid, onder b Scheepvaartreglement Westerschelde 1990; geen oplopend schip maar schip dat een vaargeul wil binnen varen met kruisende koerslijn

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:350

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2011 in de gemeente Reimerswaal en/of de gemeente Hulst, althans in Nederland, als schipper van het motortankschip "naam schip verdachte", daarmee heeft gevaren in het voor de scheepvaart openstaande en in het Rijk gelegen water, de Westerschelde, en toen met dat vaartuig een vaargeul is binnengevaren en/of geheel of gedeeltelijk is overgestoken, en daarbij de koerslijn van het zeeschip "naam zeeschip", dat in die vaargeul varende was en daarvan de richting volgde, heeft gekruist terwijl laatstgenoemd vaartuig daardoor verplicht werd koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen, en niet voor dat schip is uitgeweken, waarbij die schepen met elkaar in aanvaring zijn gekomen.

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 9, vierde lid, onder b, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 9. Gedrag in en buiten een vaargeul.

(…)

4. Behoudens het gestelde in artikel 18 (…)

a. (…)

b. mag een schip dat een vaargeul wil binnen varen de koerslijn van een schip dat in die vaargeul varende is en ervan de richting volgt niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Bij gevaar voor aanvaring moet het eerstgenoemd schip, daar waar het de vaargeul binnenvaart, uitwijken voor een schip dat de vaargeul volgt; (…).”

Door de verdediging is vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd:

  • dat er geen sprake is van kruisende koersen van het motortankschip “naam schip verdachte” en het zeeschip “naam zeeschip”;
  • dat er geen noodzaak bestond voor de “naam zeeschip” om koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen;
  • dat het de “naam zeeschip” was die de “naam schip verdachte” opliep, ook in de vaargeul, en daarom had moeten uitwijken voor de “naam schip verdachte”;
  • dat beide schepen afspraken hadden gemaakt, waaraan slechts de “naam zeeschip” zich niet heeft gehouden;
  • dat ook overigens niet “naam schip verdachte” maar de “naam zeeschip” het risico van aanvaring in het leven heeft geroepen door de eerder besproken manoeuvres uit te voeren, zich niet aan de gemaakte afspraken te houden en de “naam schip verdachte” niet te waarschuwen, welk risico zich heeft verwezenlijkt.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en in het bijzonder uit de op 21 januari 2015 ter zitting getoonde radarbeelden van het incident met daarbij het gelijktijdige marifoonverkeer tussen de schipper van de “naam schip verdachte” en de loods op de “naam zeeschip”, blijkt het volgende over de toedracht van de aanvaring.

Het zeeschip “naam zeeschip” is varende in de Westerschelde door de bocht van Bath stroomopwaarts, in de richting van Antwerpen, in de door groene en rode tonnen afgebakende (hoofd-)vaargeul. Het door verdachte gevaren motortankschip “naam schip verdachte” vaart dan in vaarwater, buiten de vaargeul, in de Schaar van de Noord, eveneens in de richting van Antwerpen.

De” naam schip verdachte” vaart op enig moment – terwijl beide schepen globaal in zuidelijke richting varen, de “naam schip verdachte” voorop - onder een koers die de door de “naam zeeschip” gevolgde koers kruist, in de richting van de hoofdvaargeul. De “naam zeeschip” vaart met een snelheid hoger dan de “naam schip verdachte” een koers die, gelet op koers en snelheid van de “naam schip verdachte” bij binnenvaren van de “naam schip verdachte” in de hoofdvaargeul volgens de loods van de “naam zeeschip” tot problemen kan leiden. De loods van de “naam zeeschip” neemt dan via de marifoon contact op met de schipper van de “naam schip verdachte”, dit is de verdachte. Op de mededeling van verdachte dat hij de hoofdvaargeul zal invaren maar dicht langs de groene kant (stuurboord/rechts) zal blijven, deelt de loods mee dat de “naam zeeschip” meer naar de groene kant zal gaan, teneinde ruimte te maken voor een tegemoet varende grote afvaart. De “naam schip verdachte” vaart vervolgens ter hoogte van boei 81A de hoofdvaargeul in en wordt direct daarop voorbijgevaren door de “naam zeeschip”. Vervolgens maakt de “naam zeeschip” terwijl de schepen zeer dicht naast elkaar varen nog een koerswijziging naar bakboord (links), waarna de rechterzijde (stuurboordzijde) van de “naam zeeschip” in aanraking komt met de linkerzijde (bakboordzijde) van de “naam schip verdachte”.

Het hof stelt, mede op basis van hetgeen de ter zitting gehoorde deskundige heeft verklaard, vast dat uit deze toedracht volgt dat de “naam schip verdachte” met een koers die de koers van de in de hoofdvaargeul varende “naam zeeschip” kruiste, derhalve met een kruisende koerslijn als bedoeld in artikel 9 van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990, vanuit het vaarwater de (hoofd-)vaargeul binnen is gevaren, ten gevolge waarvan de “naam zeeschip” met de koerswijziging die door de loods op de “naam zeeschip” nodig geacht werd om het tegemoetkomend afvarend zeeschip de ruimte te geven, in aanvaring is gekomen met de “naam schip verdachte’’.

Dat er sprake is van kruisende koersen, blijkt ook, zoals ook de deskundige ter terechtzitting heeft verklaard, uit de lijnen op de radarbeelden die op basis van de koers van beide schepen de te volgen koers weergegeven. Deze lijnen kruisen elkaar.

De verdediging heeft aangevoerd dat de “naam zeeschip” ten opzichte van de “naam schip verdachte” een oplopend schip was. Volgens artikel 13, eerste lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 moet elk schip, dat een ander schip oploopt, uitwijken voor het schip dat wordt opgelopen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Artikel 13, negende lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 bepaalt dat dit artikel niet van toepassing is op een schip dat binnen de vaargeul een buiten de vaargeul varend schip oploopt en omgekeerd.

Deze situatie deed zich hier voor. Immers de “naam zeeschip” voer binnen de vaargeul en de “naam schip verdachte” buiten de vaargeul.

Het begrip ‘vaargeul’ wordt in artikel 2 onder d, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 omschreven als: “het gedeelte van het vaarwater dat betond of bebakend is”.

Ter betonning of bebakening van een vaargeul worden, overeenkomstig het Maritiem betonningssysteem van de International Association of Lighthouse Authorities (IALA) uitsluitend groene en rode tonnen gebruikt. Gele tonnen duiden op een incidenteel gevaar en bebakenen niet mede een vaargeul. Dit betekent voor het onderhavige geval dat, toen de “naam schip verdachte” ter plaatse in het vaarwater tussen de groene tonnen aan bakboord en de gele tonnen aan stuurboord voer, dit schip niet in de vaargeul (tussen de groene en rode tonnen) voer.

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte de gedragsregel van artikel 9, vierde lid, onder b, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 heeft overtreden.

Ten aanzien van de communicatie tussen beide schepen en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden volgens de verdediging, overweegt het hof mede op grond van wat de deskundige ter zitting heeft verklaard, het volgende.

Het is juist de “naam zeeschip” geweest die ter waarschuwing contact heeft opgenomen met de “naam schip verdachte”, terwijl het omgekeerde, hoewel geen voorschrift, meer voor de hand had gelegen. Immers de “naam schip verdachte” was voornemens de hoofdvaargeul binnen te varen en kende de snelheid en koers waarmee de “naam zeeschip” naderde en wist dat de “naam zeeschip” ongehinderde vaart moest worden verleend. Dit hield tevens in dat de “naam schip verdachte” niet ervan mocht uitgaan dat de “naam zeeschip” bij zijn koersbepaling ook nog rekening zou houden met de “naam schip verdachte”. De “naam zeeschip” heeft juist gewaarschuwd dat hij dichter langs de groene kant, de kant waar ook de “naam schip verdachte” zich bij binnenvaren van de vaargeul zou bevinden, zou komen in verband met een afvarend zeeschip. Het is vervolgens aan het schip in de vaargeul te bepalen welke koers zal worden gevolgd om een tegemoetkomend zeeschip eveneens vrije vaart te verlenen.

Dat, zoals de deskundige desgevraagd heeft verklaard, zijns inziens een iets andere koerswijziging voor de “naam zeeschip” mogelijk zou zijn geweest doet daaraan niet af. Temeer omdat de deskundige de gevolgde koers van de "naam zeeschip" gelet op die afvaart en de moeilijke omstandigheden ter plaatse begrijpelijk en verstandig achtte.

Bewezenverklaring

Overtreding van de regels gesteld bij artikel 9, vierde lid sub b, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF